Joshua 5

1) westwaarts,

Dat is, aan de westzijde wonende, in het land Kana„n.

2) zo versmolt hun hart,

Dat is, zij zijn versaagd geworden. Zie Joz. 2:9,24.

Jos 2.9,24
3) stenen messen,

Anders, scherpe messen. Hebreeuws, zwaarden, of messen van rotsen, gelijk Exod. 4:25.

Ex 4.25

4) besnijd wederom

Hebreeuws, keer weder, besnijd; dat is, besnijd wederom; een Hebreeuwse manier van spreken. Zie Num. 11:4; Ps. 85:7; Ezech. 8:6. De besnijdenis is eerst bevolen aan Abraham en zijn zaad, en daarin gecontinueerd tot in Egypte, waar diegenen welken uit Egypte getogen zijn, ook waren besneden. Maar alzo aan diegenen, die in de woestijn geboren zijn, de besnijdenis niet was geschied, zo wordt hierdoor Gods bevel aan dezen hervat.

Nu 11.4 Ps 85.6 Eze 8.6
5) besneed

Te weten, diegenen, die nog niet besneden waren, welke zij waren, die in de woestijn geboren waren.

6) heuvel der voorhuiden.

Enigen behouden het Hebreeuwse woord Araloth in den tekst, betekende voorhuiden, omdat de voorhuiden van de kinderen Isra‰ls daar besneden waren.

7) zij niet besneden.

Te weten, de ouders. Dit is nagebleven, of door sloffigheid en onachtzaamheid; of omdat zij niet wisten wanneer zij voortreizen zouden, en het den pas-besnedenen zwaar zou gevallen hebben, ja ook gevaarlijk, voort te reizen.

8) Hij

Te weten, God de Heere.

9) totdat zij genezen waren.

Hebreeuws, totdat zij leefden; gelijk Num. 21:8.

Nu 21.8
10) den smaad

Alzo noemt hij de voorhuid, die de Isra‰lieten aan hun kinderen gelaten hadden, hierin meer het exempel der oubesneden Egyptenaars navolgende dan het bevel Gods. Zie Jer. 9:25,26. Sommigen verstaan door den smaad van Egypte, den smaad, dien de Egyptenaars God en zijn volk zouden opgelegd en nagezegd hebben, indien zij buiten het land Kana„n hadden moeten blijven. Zie Deut. 9:28.

Jer 9.25,26 De 9.28

11) van ulieden afgewenteld;

Hebreeuws, van op ulieden; dat is, die op ulieden lag.

12) Gilgal,

Dat is, rolling, afwenteling; omdat door de besnijdenis de schande van de Isra‰lieten afgewenteld is.

13) tot op dezen dag.

Te weten, blijft deze naam, of houdt die plaats dezen naam.

14) hielden zij het pascha

Hebreeuws, maakten zij. Het houden van pasen is ook in de woestijn nagelaten geweest, uitgenomen in het tweede jaar na den uittocht, zie Num. 9:1.

Nu 9.1

15) derzelver maand,

Te weten, op den veertienden dag der eerste maand van het jaar; gelijk blijkt Joz. 4:19.

Jos 4.19
16) een Man

Dit was de Heere Christus in de gedaante eens mans, gelijk af te nemen is uit Joz. 6:2.

Jos 6.2

17) uitgetogen zwaard

Te weten, om Jozua daarmede te verkloeken, hem te kennen gevende dat Hij met hem zou zijn, en strijden tegen de Kana„nieten, en hem de victorie zou doen hebben.

18) Neen,

Te weten, Ik behoor uw vijanden niet toe.

19) de Vorst

Te weten, Christus, die over het leger der Isra‰lieten, welke des Heeren volk zijn, zorg draagt.

20) aanbad,

Want hij kende Hem te zijn de ware God. Indien dit maar een geschapen engel geweest ware, Hij zou niet geleden ehbben dat men hem alzo zou ge‰erd hebben, gelijk te zien is Openb. 19:10, en Openb. 22:9.

Re 19.10 22.9
21) Trek uw schoenen af

Dit heeft ook God Mozes bevolen Exod. 3:5. Zie ook Hand. 7:33.

Ex 3.5 Ac 7.33

22) heilig.

Hebreeuws, heiligheid. Waarom was deze plaats heilig? Omdat de Heere haar door zijn bijzondere tegenwoordigheid geheiligd had. Zie Exod. 3:5, en de aantekeningen aldaar.

Ex 3.5
Copyright information for DutKant