2 Chronicles 24:1-16

Inleiding

De regering van Joas valt duidelijk in twee delen uiteen. Deze twee delen tonen een tegenovergestelde situatie. Uit beide delen blijkt dat Joas geen zelfstandige omgang met de HEERE heeft, maar zich laat beïnvloeden door raadgevers in zijn directe omgeving. Het eerste deel van zijn regering (2Kr 24:1-16) wordt gekenmerkt door de invloed van een goede raadgever, Jojada (2Kr 24:2; 14). Hij doet dan wat juist is in de ogen van de HEERE. Het tweede deel van zijn regering (2Kr 24:17-27) wordt gekenmerkt door de slechte invloed van de vorsten van Juda (2Kr 24:17).

Joas koning van Juda

Joas is nog heel jong als hij koning wordt, hij is pas zeven jaar (2Kr 24:1). De duur van zijn regering is veertig jaar. De kroniekschrijver vermeldt de naam van zijn moeder: Zibja, dat betekent ‘gazelle’. Ook noemt hij de plaats waar ze vandaan komt: het zuidelijk gelegen Berseba. Zibja zal haar zoon de eerste jaren van zijn regering zeker met raad en daad ter zijde hebben gestaan. Maar de grootste invloed op de regering van Joas heeft Jojada. Joas doet, zolang hij onder de goede leiding van Jojada staat, wat juist is in de ogen van de HEERE (2Kr 24:2).

Zelfs als het om het huwelijk van Joas gaat, regelt Jojada alles (2Kr 24:3). Jojada neemt twee vrouwen voor hem. Dit is wel naar de gewoonte van die tijd, maar het is niet naar het oorspronkelijk plan van God Die al bij de schepping het monogame huwelijk heeft ingesteld. Het motief van Jojada met de twee vrouwen is niet verkeerd. Hij wil dat de koninklijke lijn voortgezet wordt. Dat gebeurt ook, want Joas verwekt zonen en dochters bij zijn vrouwen.

Joas wil de tempel herstellen

Het is mooi om te lezen dat het hart van Joas al in zijn jonge jaren uitgaat naar het huis van de HEERE (2Kr 24:4). Hij heeft er zes jaar in geleefd en kent als geen ander het huis vanbinnen. De indrukken die een kind tot en met zijn zesde jaar opdoet, bepalen voor een groot deel zijn verdere ontwikkeling. Gods huis is in de loop van de tijd in verval geraakt en Joas wil het huis vernieuwen, dat wil zeggen het in zijn oorspronkelijke staat herstellen.

We kunnen hieruit de les trekken voor de plaatselijke gemeente waar we ook oog moeten hebben voor verval. Dat verval kan plaatsvinden door het insluipen van personen en leringen of wereldsgezindheid die de gemeente in haar functioneren verzwakken. We kunnen bijvoorbeeld denken aan een afzwakken van gemeenschap met elkaar, aan een verandering van gedrag van de gelovigen door wereldgelijkvormigheid, aan een aanpassing van de leer van Gods Woord aan wat de gemeenteleden graag horen, aan het inbrengen van wereldse elementen in de samenkomsten van de gemeente.

Joas geeft de priesters en de Levieten de opdracht om geld te gaan inzamelen in de steden van Juda en in heel Israël (2Kr 24:5). Dat geld wil hij gebruiken om het huis van “uw God” te herstellen. Door te spreken over “uw God” wijst hij de priesters en de Levieten op de verantwoordelijkheid die zij tegenover God hebben. Ze zijn het aan God verplicht omdat zij het priesterschap en de Levietendienst voor Hem in Zijn huis moeten uitvoeren. Joas wil ook dat ze snel doen wat hij heeft gezegd.

We lezen echter dat de Levieten er geen haast mee maken. Een oorzaak daarvan kan zijn dat zij niet werkelijk met hun hart bij de tempeldienst betrokken zijn. Mogelijk is hun belangstelling ervoor in de loop van de jaren verzwakt. We zullen ons niet inzetten voor Gods huis, voor ons de gemeente van God, als dit huis niet de diepe belangstelling van ons hart heeft. We zullen het zelfs dan niet doen als anderen ons op onze verantwoordelijkheden wijzen.

Joas roept Jojada ter verantwoording. Hij verwijt hem nalatig te zijn geweest. Jojada is er volgens Joas nalatig in geweest om ervoor te zorgen dat de Levieten “de heffing van Mozes, de dienaar van de HEERE” (2Kr 24:6; Ex 30:16) inzamelen. Het is maar de vraag of dit verwijt terecht is. Wat Joas wil, is prijzenswaardig. Maar de manier waarop hij te werk is gegaan, roept vraagtekens op. Hij heeft de Levieten niet op pad gestuurd met een beroep op Mozes. Het enige wat hij hun heeft gezegd, is dat ze geld moeten inzamelen voor het herstel van het huis van God. Een hart dat niet vol betrokken is bij een werk voor de Heer, zal zich niet snel laten aanzetten om anderen te vragen voor dat werk te geven.

Dat zijn verwijt mogelijk niet terecht is, kunnen we ook opmaken uit het zwijgen van de geestelijk gezinde Jojada. Er komt geen verweer op de kritiek. Dit is geen zwakheid of toegeven dat het gezegde waar is, maar spreekt juist van geestelijke kracht. Zwijgen bij onterechte beschuldigingen zegt vaak meer dan spreken. Dit zwijgen zien we ook bij de Heer Jezus bij alle beschuldigingen die tegen Hem worden ingebracht.

Joas zegt waardoor het huis van de HEERE in een staat is terechtgekomen die herstel noodzakelijk maakt (2Kr 24:7). Het is de schuld van Athalia. Zij is de belichaming van de goddeloosheid. Politieke macht die wordt uitgeoefend ter wille van het eigen belang, zal altijd de dienst aan God als een verfoeilijke zaak zien. Die macht zal er alles aan doen om de dienst aan God te verwoesten. Het gaat een dergelijke boze macht er niet alleen om dat de gemeente verwaarloosd wordt, maar hij zal de gemeente aanvallen en alles wegroven wat voor de dienst aan God van waarde is.

Een demonische macht legt het erop toe dat “alle geheiligde dingen van het huis van de HEERE voor de Baäls gebruikt” worden. We zien dat bijvoorbeeld in het op een populaire wijze vertolken van het lijden van Christus, waarvan door de Evangelische Omroep een voor het geloof weerzinwekkend spektakelstuk is gemaakt (The Passion). Hetzelfde geldt voor de Matthäus-Passion waar de leden van het kabinet naartoe gaan omdat het zo indrukwekkend opgevoerd wordt. Hart en geweten blijven volledig buiten schot. Zo worden de geheiligde dingen die in Gods huis, de gemeente, centraal staan, als parels voor de varkens gegooid (Mt 7:6). De verscheurende gevolgen voor de gemeente hoeven zich niet te laten raden, want ze zijn waarneembaar voor ieder die verlichte ogen van het hart heeft.

Dan start Joas een nieuwe actie voor de inzameling van geld (2Kr 24:8). Op zijn bevel wordt er een kist gemaakt “die buiten bij de poort van het huis van de HEERE” wordt gezet. Vervolgens wordt er, dit keer wel met een beroep op de heffing van Mozes, in Juda en in Jeruzalem een oproep gedaan om geld bijeen te brengen (2Kr 24:9). De reactie op deze oproep is heel anders de vorige keer. Alle leiders en heel het volk zijn blij dat ze kunnen bijdragen aan het herstel van de tempel (2Kr 24:10). Ze geven allemaal graag en blijven geven tot het herstelwerk is afgerond.

Het toezicht op de kist ligt bij de Levieten (2Kr 24:11). Telkens als de kist vol is, brengen ze die naar de beambte van de koning. De schrijver van de koning en de opzichter van de hoofdpriester maken de kist leeg. Er is een vertegenwoordiger van de koning en een vertegenwoordiger van de hogepriester bij betrokken. Het getuigenis van twee personen stelt een zaak vast (2Ko 13:1). Het is belangrijk om op een betrouwbare wijze verantwoording te kunnen afleggen van het ingezamelde geld (2Ko 8:20-21).

Hier gaat het ook nog eens om de combinatie van koning en priester. Er is een nauwe samenhang en samenwerking tussen die twee. We zien dit ook bij de Heer Jezus, de ware Koning-Priester (Zc 6:13). Nadat op deze verantwoorde wijze het geld uit de kist is gehaald, wordt de kist weer opgenomen en op zijn plaats bij de tempel teruggezet. Zo wordt er geld ingezameld in overvloed.

Het herstel van de tempel

De koning en Jojada – hier zien we weer het nauwe verband tussen koning en priester – stellen het geld ter beschikking aan hen die het herstelwerk verrichten (2Kr 24:12). Het geld wordt gebruikt om arbeidskrachten te huren. Steenhouwers, ambachtslieden, smeden en kopergieters zijn nodig voor het herstelwerk. Ze werken nauw samen, terwijl ieder doet waarin zijn capaciteiten liggen.

De Heer Jezus is als de Koning-Priester bezig ons de middelen te geven om aan Zijn huis te bouwen. De verschillende arbeiders die het herstelwerk verrichten, wijzen op de verschillende taken die gelovigen hebben bij de bouw van Gods huis. Steenhouwers kunnen we zien als een beeld van evangelisten. Zij brengen levende stenen in Gods huis. Ambachtslieden of timmerlieden werken met hout. Zij brengen structuur aan in Gods huis. In hen kunnen we een beeld zien van leraren. De smeden doen denken aan herders. Zij zorgen ervoor dat de gelovigen goed aaneengesloten blijven. De kopergieters zijn bezig met koper. Koper is een beeld van Gods gerechtigheid. Kopergieters kunnen we zien als een beeld van gelovigen die anderen helpen om in overeenstemming met Gods gerechtigheid te leven.

Al deze werkers gaan aan het werk met wat hun door de koning en Jojada is gegeven (2Kr 24:13). Het is mooi om te lezen dat het herstelwerk onder hun hand vordert. Het doel is om het huis van God in zijn oorspronkelijke staat te herstellen. Om zo te kunnen werken moeten de werkers wel weten wat de oorspronkelijke staat is. Het terugbrengen van Gods huis in zijn oorspronkelijke staat betekent ook dat het huis wordt versterkt.

Dat geldt ook voor alle werk dat voor de gemeente gebeurt. De blauwdruk van de gemeente, en de plaatselijke uiting daarvan, staat in het Woord van God. We moeten Gods Woord raadplegen als we aan de bouw van Gods huis werken. Werken aan Gods huis betekent voor ons dat wij aan medegelovigen laten zien wat hun positie in Christus is (Ko 1:28-29) en dat ze vast verbonden zijn aan Hem (2Ko 1:21; Ko 2:6-7).

Na het herstelwerk aan de tempel blijkt er geld over te zijn (2Kr 24:14). Dat geld wordt bij de koning en Jojada gebracht. Joas maakt er, waarschijnlijk op advies van Jojada, allerlei gereedschap van dat kan worden gebruikt voor de dienst in de tempel. Het resultaat is dat er zolang Jojada leeft “voortdurend brandoffers in het huis van de HEERE” worden gebracht. Hier vinden we het grote doel van het herstel van Gods huis: het brengen van brandoffers.

Het herstel van Gods huis met als resultaat het brengen van brandoffers stelt voor ons voor dat de dienst van aanbidding in de gemeente weer centraal staat. Dat is niet de geprogrammeerde aanbidding met zang en muziek onder leiding van een aanbiddingsleider, maar aanbidding geleid door de Heilige Geest. De Heilige Geest wil het hart van elk lid van de gemeente richten op de Heer Jezus Die het ware brandoffer voor God is. Het brandoffer is het offer dat in zijn geheel voor God is (Lv 1:9; 13). God verlangt ernaar dat de gelovigen als gemeente met brandoffers komen. Jojada is een beeld van de Heer Jezus Die de “grote Priester over het huis van God” is (Hb 10:21). Door Hem mogen wij tot God in het heiligdom naderen om onze offers te brengen (Hb 10:19-22).

De dood van Jojada

Aan het leven van Jojada komt een einde. Hij sterft niet aan een ziekte of door een ongeluk, maar van ouderdom (2Kr 24:15). Hij heeft de hoge leeftijd van honderddertig jaar bereikt. Tot in zijn ouderdom is hij actief geweest in het dienen van God en Zijn huis (2Kr 24:16). Zijn dienst is een zegen geweest voor Israël. Hij, die priester is geweest, heeft zich tegelijk koninklijk gedragen. Daarom wordt hij “bij de koningen begraven”. Dat ze hem daar begraven, is een bewijs van het respect van Joas en het volk voor hem.

Hoe staan wij bekend bij de gelovigen met wie wij samen een plaatselijke gemeente vormen? Kan van ons worden gezegd dat we goedgedaan hebben in de gemeente? Goeddoen moet in de eerste plaats ten aanzien van God gebeuren. Hij ziet ons hele leven. Is dat op Hem gericht? Direct daaraan verbonden is het goeddoen ten aanzien van Zijn huis, dat is de gemeente, dat zijn de Zijnen. Goeddoen aan Zijn huis houdt in dat we ons in Zijn huis gedragen naar de normen die Hij daarvoor in Zijn Woord heeft gegeven (1Tm 3:15).

Copyright information for DutKingComments