Psalms 90:3-10

De sterveling tegenover God

We zien nog een bepaalde opbouw van de psalm:

Ps 90:3 “U”Ps 90:4 “want”

Ps 90:5 “U”Ps 90:7 “want”

Ps 90:8 “U”Ps 90:9 “want”

Dat wil zeggen dat Ps 90:4 redengevend is voor Ps 90:3 enzovoort.

In groot contrast met de eeuwig zijnde, onveranderlijke, onbegrensde God staat de mens met zijn beperkte levensduur. Door de zonde van de mens is de dood in de wereld gekomen. Het oordeel van God is dat Hij “de sterveling” doet “terugkeren tot stof”. De mens “heeft geen zeggenschap over de dag van de dood” (Pr 8:8). Die zeggenschap heeft alleen God. De mens die dat erkent en Gods oordeel aanvaardt, die erkent dat hij stof is, zal leven (Gn 18:27; Jb 42:6).

Het woord ‘stof’ hier is niet hetzelfde als in Genesis 3 (Gn 3:19). Hier betekent het ‘gruis’, iets dat verpulverd is. Het zegt niet alleen wat over de materie, dat het stof is, maar ook over de manier waarop het tenietgedaan wordt, vergruisd, en dat als gevolg van de zonde. Het onderstreept de tijdelijkheid en de vluchtigheid van het leven van een vergankelijk mens.

God heeft het doodsoordeel uitgesproken. Daarnaar handelt Hij als Hij zegt: “Keer terug, mensenkinderen” (Gn 3:19; Pr 3:20; Pr 12:7; Ps 104:29). Dit bevel klinkt bij elk sterfgeval sinds de uitspraak in het paradijs na de zondeval: “Stof bent u en u zult tot stof terugkeren” (Gn 3:19). Het geldt zonder uitzondering voor alle mensenkinderen. Iemand mag het nog zover in de wereld hebben geschopt, hij mag zich nog zo beroemen op zijn prestaties, of er nog zo mooi hebben uitgezien, de dag komt er snel aan dat hij naar zijn oorsprong terugkeert: het stof waaruit hij is gemaakt.

Het bevel “keer terug” betekent dat de mens, door God geschapen – niet geëvolueerd –, eens zal moeten terugkeren naar zijn Maker om voor Hem verantwoording af te leggen. Vandaar deze oproep. Adam verliet zijn woning bij God (Ps 90:1) en werd daardoor een sterveling (Ps 90:3). Hij heeft gezondigd, en “het loon van de zonde is de dood” (Rm 6:23a). Om deze situatie te herstellen moest God Zijn Zoon zenden als de tweede Mens. Dat zien we in Psalm 91.

Niemand ontkomt aan die terugkeer. Dat staat als een paal boven water (Hb 9:27). Dat Henoch en Elia daaraan zijn ontkomen, is omdat God hen aan dit oordeel heeft onttrokken door hen levend tot Zich te nemen. Daarin zien we een voorbeeld van de opname van de gemeente, dat wil zeggen van de opname van de gelovigen die op dat moment op aarde leven of sinds Adam gestorven zijn. Bij de komst van de Heer voor Zijn gemeente worden de levende gelovigen veranderd, terwijl zij die in Christus ontslapen zijn, zullen worden opgewekt (1Th 4:14-18).

God heeft bij de schepping voor de mens tijdeenheden als jaren en dagen ingesteld (Ps 90:4). De mens is aan tijd gebonden. Zelf heeft Hij die gebondenheid of beperking niet. Hij staat boven de tijd, Hij is er niet aan gebonden, wij wel. Bij Hem is één dag als duizend jaar en omgekeerd (2Pt 3:8). Voor Hem zijn “duizend jaren … als de dag van gisteren, wanneer die voorbijgegaan is”. Een dag is snel voorbij. Het is als “een wake in de nacht” – een wake is slechts vier uur (vgl. Ri 7:19; Kl 2:19a). Die vier uur zijn zo voorbij. God gaat niet met de tijd mee, maar bepaalt van alles de tijd (vgl. Pr 3:1). Zelf is Hij de eeuwig “Onveranderlijke van Israël” (1Sm 15:29).

Het leven van mensen wordt door God weggespoeld als de slaap (Ps 90:5). Als een mens slaapt, heeft hij geen besef van tijd. Als hij wakker wordt, is er een aantal uren voorbijgegaan, zonder dat hij het heeft gemerkt en zonder dat hij iets heeft gepresteerd. Zo vluchtig, leeg, inhoudsloos is zijn leven. Hij kan uiterlijk nog zo actief zijn, maar zijn leven wordt meegesleurd en spoelt weg, zonder iets wezenlijks na te laten. Het is allemaal tevergeefs, het lost op in het niets. Zo gaat het leven van de mens als een damp voorbij zonder dat hij zich de kortstondigheid ervan realiseert.

Een ander beeld is dat van het gras dat opkomt. Als mensen ’s morgens wakker worden, zijn ze als het gras dat opkomt. In de loop van de dag groeit en bloeit het gras. Als het avond wordt, “wordt het afgesneden en het verdort” (Ps 90:6). Dit beeld wordt ontleend aan de toestand van het gras in het Midden-Oosten. Als overdag de chamsin, dat is de hete woestijnwind, waait, verdroogt het gras binnen de kortste tijd. De mens is in dit opzicht niet anders dan gras: zijn leven is kortstondig (Ps 103:15-16; Js 40:6-8; 1Pt 1:24).

Het leven gaat snel voorbij

De dood is een natuurlijk proces, maar niet iets dat God tijdens de schepping in gedachten had. Het is Gods oordeel (Ps 90:7) over de zonde (Ps 90:8). De dood is door de zonde in de wereld gekomen en is het loon dat God aan de zonde heeft verbonden (Rm 5:12; Rm 6:23; Gn 2:17). Mozes heeft tijdens de hele woestijnreis van veertig jaar allen zien sterven die bij de uittocht twintig jaar en ouder waren, behalve Jozua en Kaleb. Mirjam en Aäron zijn daarbij inbegrepen. En ook Mozes zelf mocht het beloofde land niet ingaan vanwege zijn zonde.

Door Gods toorn over hun ongeloof zijn zij vergaan (Ps 90:7; Nm 14:28-29). Het is een lange, verschrikkelijke reis geweest, met elke dag een aantal doden. Elk sterfgeval is een blijk van Gods grimmigheid, waardoor zij door schrik overmand worden. Het gaat er niet om hoelang een mens leeft, maar dat zijn einde het gevolg is van de toorn van God. Dat geldt voor iedereen (vgl. Rm 3:23), maar in het bijzonder voor het volk tijdens de woestijnreis.

Elk sterfgeval heeft hen aan hun “ongerechtigheden” herinnerd (Ps 90:8). Zij zeggen ervan dat God die voor Zijn ogen stelt als de reden van Zijn doodsoordeel. God kan niet doen of er geen zonde is begaan. Hij ziet ze voortdurend en handelt ermee naar de eis van Zijn heiligheid. Ook hun verborgen zonden stelt Hij in het licht van Zijn aangezicht. Er is niets voor Hem verborgen (Jr 16:17; Hb 4:13). Zijn licht maakt alles openbaar, niets kan zich daarvoor verbergen. Als de Heer Jezus terugkomt naar de aarde als Rechter, zullen “Zijn ogen als een vuurvlam” zijn die dwars door ieder mens heen kijken (Op 1:14b).

Ps 90:7 en Ps 90:9 lopen parallel. Daardoor vormen de Ps 90:7-9 een piramide, waarbij Ps 90:8 het hoogtepunt is. Dit is een literair hulpmiddel om Ps 90:8 te onderstrepen en te benadrukken. De boodschap is duidelijk: ons kortstondige leven moet ons wakker schudden, opdat wij ons bewust worden van onze zondigheid, ook de zonden die in het verborgen zijn gedaan, want voor God is er niets verborgen.

Zo gaan al hun dagen voorbij door Gods verbolgenheid (Ps 90:9). Al hun dagen, geen dag uitgezonderd, dragen ze vanwege hun ongerechtigheden Gods verbolgenheid. Ze brengen hun jaren door met de snelheid van “een gedachte”. Dit is het kortstondige, ellendige leven van de sterfelijke mens die zich bewust is dat hij mens is en dat God alleen God is. Het woord ‘gedachte’ betekent eigenlijk een zucht, een kreun. Het betekent niet alleen ‘kortstondig’, het betekent ook dat je er moe, ja moedeloos van wordt. Er wordt een zucht van moedeloosheid geslaakt. Het is zoals Jakob het tegen de farao zegt: “Weinig [in getal] en [vol] kwaad zijn mijn levensjaren geweest” (Gn 47:9).

Het aaneenrijgen van dagen gaat voor de mens gemiddeld “zeventig jaren” door (Ps 90:10). Ps 90:10 is een onderstreping van Ps 90:9. Beide verzen gaan over ‘dagen’ en ‘jaren’: ‘dagen’ benadrukken de kortheid van het leven, ‘jaren’ benadrukken de langdurige moeiten van het leven. Na zeventig jaren valt het doek voor de mens. Als hij “zeer sterk” is, kan hij zelfs nog een aantal dagen doorleven, zodat hij “tachtig jaren” kan leven.

Zeventig jaar is niet lang en die tien jaar extra is nou ook geen eeuwigheid. Hij doet zijn uiterste best om van de jaren die hem gegeven zijn, te genieten. Maar wat levert het helemaal op? De eerlijke conclusie moet zijn: zelfs “het beste daarvan is moeite en verdriet”. Het ‘beste’ zijn de dingen waarvan hij nog enig plezier heeft gehad, wat dat ook mag zijn, maar waarvan hij nooit echte voldoening heeft gekend.

Dan is het ineens voorbij, afgelopen, het is “snel afgesneden”. “En wij vliegen heen” wil zeggen dat het leven is weggevlogen alsof het kaf is dat door de wind wordt weggeblazen. Vraag je aan een bejaarde hoe zijn of haar leven is geweest, dan krijg je bijna altijd hetzelfde antwoord: het is zo voorbij.

Prediker stelt het leven voor als een waardevolle gouden oliehouder die met een zilveren koord is opgehangen aan de hemel (Pr 12:6). Hij is met boven, de hemel, verbonden. Het leven is verbonden met God. Hij heeft de mens zijn levensadem gegeven. Als echter het zilveren koord verwijderd wordt, als het breekt, stort de gouden oliehouder ter aarde en wordt onherstelbaar verbrijzeld. Het levenslicht is volledig gedoofd. Na afloop van het leven volgt de ontmoeting met God. De mens wordt opgeroepen zich daarop voor te bereiden: “Maak u gereed om uw God te ontmoeten” (Am 4:12).

Voordat de psalmist verdergaat met het laatste gedeelte, zijn gebed tot God om het werk van zijn handen te bevestigen (Ps 90:13-17), trekt hij eerst in de Ps 90:11-12 de lering en conclusie uit wat hij in de Ps 90:3-10 van God heeft gezien. Dit houdt voor ons een belangrijke les in, namelijk dat wij, voordat we naar de wil van God kunnen bidden, Hem eerst moeten leren kennen.

Wie kent “de kracht” van Gods “toorn en … verbolgenheid” waarmee hij het leven van mensen beëindigt, of ze nu sterk of zwak, eenzaam of talrijk, arm of rijk zijn (Ps 90:11)? Geen mens kent die. Hetzelfde antwoord geldt voor de vraag of iemand weet “hoezeer” God “te vrezen” is. Geen mens weet het. Of toch wel Iemand, namelijk de Heer Jezus. Hij heeft de toorn van God ondervonden als het oordeel over de zonden van ieder die in Hem gelooft. Hij is in het vuur van Gods oordeel geweest, echter zonder erdoor verteerd te worden.

De bedoeling van deze vragen is om de mens tot nadenken aan te zetten. Hij moet zijn nietigheid en de leegheid van zijn leven overdenken. Daardoor moet hij tot het besef komen dat hij gedurende zijn kortstondige en moeitevolle leven onder het oordeel en de toorn van God over de zonde leeft. Hij moet oog krijgen voor het verband dat er tussen zonde en sterfelijkheid is. Dat moet hem naar God toe drijven, om Hem te zoeken en gereed staan om Hem, zijn Schepper, te ontmoeten.

Het tekent de dwaasheid van de mens. Wie de kracht van Gods toorn en verbolgenheid kent, zal zich ogenblikkelijk met berouw over zijn zonden tot God bekeren. Gods verbolgenheid over de zonde is groot. Tot wie dat doordringt, zal zich realiseren hoezeer God te vrezen is. En daarin ligt het begin van de wijsheid (Sp 1:7; Sp 9:10), een wijsheid die zich buigt voor de rechtvaardige toorn en verbolgenheid van God over de zonde.

Een dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God (Ps 14:1a). Dat wil niet zeggen dat hij een atheïst is; het wil wel zeggen dat hij in de praktijk van zijn leven geen rekening houdt met de levende God. Mozes is geen dwaas. Hij is wijs, hij heeft een wijs hart. Hij vreest God. Hij vraagt aan God om Zijn volk te leren hun dagen zó te tellen, dat ze zich ervan bewust worden hoe snel hun dagen voorbijgaan (Ps 90:12).

God alleen kan dat onderwijs geven, zodat zij het juiste zicht, Zijn zicht, op het leven krijgen, dat het zo kort is. Het accentueert het enorme verschil tussen de eeuwige God en de eindige mens. Wie zich dat bewust wordt, verkrijgt “een wijs hart”. Een wijs hart richt zich op God, Die elke dag met Zijn zorg voor hem bezig is (vgl. Mt 28:20).

Copyright information for DutKingComments