Mark 14

1) pascha,

Zie hiervan Matth. 26:2.

Mt 26.2

2) der ongehevelde [broden]

Zo wordt het feest van pascha genaamd, omdat men op dat feest zeven dagen lang geen geheveld brood mocht eten. Zie Exod. 12:15; Lev. 23:6.

Ex 12.15 Le 23.6
3) onder het volk worde.

Grieks, des volks.

4) een vrouw,

Namelijk Maria, de zuster van Lazarus. Zie Joh. 12:3.

Joh 12.3

5) onvervalsten nardus,

Grieks, pistike; dat is trouwe, of oprechte. Doch sommigen zetten het over vloeiende of drinkelijke, omdat het met den drank ook placht gemengd te worden. Anders, balsem van spicanardus. Zie Joh. 12:3.

Joh 12.3
6) sommigen,

Van wie de voornaamste was Judas de verrader. Zie Joh. 12:4.

Joh 12.4
7) penningen verkocht,

Grieks, denari‰n; waarvan de waarde verklaard wordt Matth. 18:28, zodat deze som zou bedragen omtrent negentig gulden.

Mt 18.28

8) vergrimden tegen haar.

Of, morden met verstoordheid.

9) hetgeen zij konde;

Grieks, hetgeen zij had.

10) te zalven,

Of, balsemen; gelijk men gewoon was de lichamen van achtbare lieden, met kostelijke zalf van specerijen gemaakt, te balsemen, eer zij begraven werden om die te bewaren voor verrotting. Zie Gen. 50:26.

Ge 50.26
11) dit Evangelie gepredikt zal worden

Namelijk wat ik totnogtoe geleerd en verkondigd heb.

12) geld te geven;

Grieks, zilver; namelijk dertig zilveren penningen, gelijk Matth. 26:15.

Mt 26.15

13) bekwamelijk overleveren zou.

Grieks, ter bekwamer tijd, of met goede gelegenheid.

14) wanneer zij het pascha slachtten,

Dat is, naar Gods wet moesten slachten, gelijk Luk. 22:7 spreekt. Anderszins hebben de Joden het voor ditmaal daags daaraan geslacht, waarvan de reden verklaard staat in de aantekeningen Matth. 26:20.

Lu 22.7 Mt 26.20

15) het pascha eet?

Dat is, het paaslam; een sacramentele wijze van spreken.

16) stad,

Namelijk Jeruzalem, waar het pascha geslacht en gegeten moest worden. Zie Deut. 16:5.

De 16.5

17) een kruik water,

Of, een aarden vat.

18) heer des huizes:

Dat is, de huisvader.

19) eetzaal,

Grieks, uitspanning; dat is, de kamer waar men de gasten ontvangt.

20) toegerust [en] gereed;

Grieks, gespreid, gevloerd, bestrooid.

21) de een na den ander

Grieks, een na een.

22) [Het is] een uit de twaalven,

Zie Matth. 26:33.

Mt 26.33
23) dat is Mijn lichaam.

Van deze woorden der instelling van het avondmaal zie de aantekeningen Matth. 26:26, en volgende.

Mt 26.26
24) zij dronken allen uit denzelven.

Namelijk gelijk Christus hun bevolen had, Matth. 26:27.

Mt 26.27
25) aan Mij geergerd worden;

Dat is, gij zult aanstoot lijden in uw geloof, door hetgeen mij zal overkomen.

26) niet [geergerd worden].

Namelijk aan u, gelijk uitgedrukt wordt Matth. 26:31.

Mt 26.31
27) tweemaal gekraaid zal hebben,

Andere evangelisten zeggen eenvoudig eer de haan kraaien zal, of zal gekraaid hebben; doch Markus zegt twee malen, omdat zij gemeenlijk op twee tijden plegen te kraaien, eens na den middernacht en eens tegen den dag, welke beide stonden hier worden verstaan.

28) plaats,

Of, gehucht van huizen, of hofsteden. Zie Matth. 26:36.

Mt 26.36
29) geheel bedroefd tot den dood toe;

Grieks, aan alle zijden.

30) die ure van Hem voorbijginge.

Namelijk van dit zware aanstaande lijden. Van dit gehele gebed zie de aantekeningen Matth. 26:39.

Mt 26.39
31) Abba, Vader!

Dit is een Syrisch woord, en betekent Vader; welk woord Vader de evangelist ook daarbij voegt, niet alleen tot verklaring, maar om door dit dubbel verhaal uit te drukken de overgrote ontroering van Christus in dit gebed. Zie hiervan Rom. 8:15; Gal. 4:6.

Ro 8.15 Ga 4.6
32) woorden.

Grieks, woord, of rede.

33) Slaapt [nu] voort,

Zie Matth. 26:45.

Mt 26.45

34) der zondaren.

Dat is, der heidenen; gelijk Matth. 20:19.

Mt 20.19
35) stokken,

Grieks, houten; dat is, spiesen of lansen.

36) een gemeen teken gegeven,

Dat is, een teken, dat zij onder elkander zouden verstaan.

37) een dergenen,

Namelijk Simon Petrus, gelijk blijkt uit Joh. 18:10.

Joh 18.10
38) Zijt gij uitgegaan,

Deze woorden spreekt Hij eigenlijk tot enige overpriesters en hoofdmannen des tempels, die deze krijgslieden medegebracht hadden, Luk. 22:52.

Lu 22.52

39) een moordenaar,

Of, een straatschender.

40) [dit geschiedt],

Alzo verhaalt dit Matth. 26:56.

Mt 26.56
41) zij, Hem verlatende,

Namelijk zijne discipelen.

42) omgedaan

Grieks, omgeworpen.

43) de jongelingen grepen hem.

Dit schijnt geweest te zijn enige jonge soldaten. Deze geschiedenis wordt verhaald om aan te wijzen de wreedheid dergenen, die Christus vingen.

44) den hogepriester;

Namelijk Kajafas. Zie Matth. 26:57; Joh. 18:13.

Mt 26.57 Joh 18.13
45) bij het vuur.

Grieks, bij het licht.

46) raad,

Grieks, Synedrion; zie daarvan Matth. 5:22.

Mt 5.22
47) waren niet eenparig.

Dat is, kwamen niet overeen.

48) enigen, opstaande,

Matth. 26:61, zegt van twee, waarvan de een anders sprak dan de ander, gelijk ook de evangelisten derzelver getuigenissen verscheidenlijk verhalen.

Mt 26.61
49) ter rechter[hand] der kracht [Gods],

Dat is, aan de krachtige rechterhand Gods.

50) met de wolken des hemels.

Dat is, op de wolken, Matth. 26:64. Of in de wolken, gelijk Mark. 13:26.

Mt 26.64 Mr 13.26
51) klederen,

Grieks, rokken.

52) gaven Hem kinnebakslagen.

Of, sloegen Hem met stokken of roeden.

53) met Jezus den Nazarener.

Namelijk als een van zijne discipelen.

54) voorzaal,

Of, portaal.

55) kraaide.

Namelijk voor de eerste maal, gelijk blijkt Mark. 14:72.

Mr 14.72
56) wederom ziende,

Namelijk omtrent een uur daarna. Zie Luk. 22:59.

Lu 22.59
57) die daarbij stonden,

Namelijk een dienaar des hogepriesters, die maagschap was van dengene, dien Petrus het oor afgehouwen had. Zie Joh. 18:26.

Joh 18.26

58) gelijkt.

Dat is, komt met hunne spraak overeen.

59) [zich] van daar makende,

Grieks, werpende; namelijk zichzelven in, of door, of onder; namelijk het volk. Of, aanvangende, uitberstende, namelijk tot schreien.

Copyright information for DutKant