Galatians 4:1

1) ik zeg,

Dat is, hetgeen ik gezegd heb, Gal. 3:24,25, dat de wet onze tuchtmeester is, verklaar ik nu met een andere gelijkenis ook van menselijke zaken genomen. Zie dergelijke 1 Cor. 5:6; 2 Cor. 9:6.

Ga 3.24,25 1Co 5.6 2Co 9.6

2) een kind is,

Dat is, nog onmondig is en minderjarig.

3) niets van een

Namelijk wat aangaat het tegenwoordig gebruik van het erfgoed, hetwelk hij alzo weinig mag aantasten en gebruiken als een dienstknecht, alzo hij hierin zijn eigen meester nog niet is, maar onder anderen staat.

4) een heer is van alles;

De eigendom van al het goed des erfdeels hem toebehoort.

Copyright information for DutKant