Hebrews 6:2

6) der dopen,

Dat is, van de natuur, instelling en gebruik van den doop en der Sacramenten waardoor het geloof en de bekering in ons wordt versterkt. Het woord dopen wordt hier in het meervoud gesteld, niet omdat er meer dan een doop is, Ef. 4:5, maar •f om den uitwendigen en inwendigen doop te betekenen 1 Petr. 3:21; •f, omdat in de eerste Kerk de volwassenen, die tot Christus bekeerd, en nu een tijdlang in den Christelijken godsdienst onderwezen waren, dikmaals tezamen in een aanmerkelijk getal werden gedoopt, zodat er vele dopen op enen dag schenen gepleegd te worden.

Eph 4.5 1Pe 3.21

7) van de oplegging der handen,

Dat is, van de gaven des Heiligen Geestes, die door de oplegging der handen in de Kerk den gelovigen in het algemeen plachten medegedeelt te worden, Hand. 8:16,17, en bijzonder in het instellen der kerkedienaars, 1 Tim. 4:14.

Ac 8.16,17 1Ti 4.14

8) van de opstanding der doden,

Van welk artikel degenen, die tot de gemeenschap der kerk van Christus toegelaten werden, bijzonder rekenschap moesten geven, omdat niet alleen de heidenen daarmede spotten, Hand. 17:32, maar ook de Sadduce‰n onder de Joden, Matth. 22:23, en vele ketters onder de Christenen deze loochenden; 2 Tim. 2:18.

Ac 17.32 Mt 22.23 2Ti 2.18

9) van het eeuwig oordeel.

Namelijk over levenden en over doden, over de ongelovigen ten eeuwigen dood, en over de gelovigen ten eeuwigen leven. Dit zijn dan de zes hoofdstukken van de beginselen of fondamenten der christelijke religie, die den aankomenden door vragen en antwoorden voorgesteld werden, die ook in onze catechismussen merendeels worden behandeld.

Hebrews 10:36-37

71) lijdzaamheid van node,

Dat is standvastigheid en lijdzame verwachting der vervulling van Gods belofte, gelijk het bewijs, dat de apostel hier uit de plaats van Habakuk haalt, medebrengt.

72) de beloftenis moogt wegdragen;

Dat is, beloofde zaak of erfenis. Zie Gal. 3:22.

Ga 3.22
73) Nog een zeer weinig [tijds

Namelijk is er overig. Deze woorden zijn genomen uit Hab. 2:3; Hagg. 2:7, die de apostel niet van woord tot woord bijbrengt, maar vermeldt den zin daarvan en past ze tot zijn voornemen.

Hab 2.3 Hag 2.6

74) Hij, Die te komen staat,

Namelijk de Messias, Christus.

Copyright information for DutKant