Luke 12:54-59
Het onderkennen van de tijd
De tijd om een beslissende keus voor Hem te maken, dringt. Hij zegt dat tegen de menigten door te wijzen op een weersvoorspelling die ze allemaal kunnen doen naar aanleiding van een verschijnsel in de natuur. Ze weten dat een wolk die ze in het westen zien opkomen, regen betekent. Evenzo weten ze het waaien van een zuidenwind juist te duiden: een zuidenwind is de voorbode van hitte. De Heer past deze kennis van het weer toe op hun geestelijk onderscheidingsvermogen. Hij noemt hen huichelaars. De uiterlijke dingen weten ze te onderkennen, maar voor hun geestelijke toestand houden ze hun ogen dicht. Ze kennen de natuurwetten en passen die correct toe, maar de geestelijke wetmatigheden bedenken ze niet. Ze weten dat afwijking van God het oordeel over hen doet komen, maar ze zijn ver van God vandaan en leven hun eigen leven. Dan moet het oordeel komen. Dat zouden ze moeten weten uit Gods Woord. Ze onderkennen echter de tijd niet waarin zij leven omdat ze zich niet willen bekeren en hun leven niet willen leggen in de hand van God. De Heer stelt hun de vraag waarom ze uit zichzelf niet beoordelen wat recht is. De mens is een verantwoordelijk wezen en in staat om te oordelen wat recht is. Als hij dan eerlijk is, zal hij tot de conclusie komen dat hij niet in staat is recht te doen en zich schuldig weten voor God. Dan is hij waar God hem hebben wil en kan God hem redden. Altijd is de Heer uit op de behoudenis van de mens om hem genade te kunnen betonen.Houding tegenover de tegenpartij
De menigte moet zich realiseren dat ze God tot hun tegenpartij hebben gemaakt en dat ze met Hem onderweg zijn naar de rechter. Letterlijk hebben ze dat gedaan toen ze de Heer Jezus voor Pilatus brachten en om Zijn veroordeling vroegen. Zij menen dat ze God voor het gerecht kunnen dagen. Als ze voor de Rechter staan, zullen ze ontdekken dat het precies andersom is en dat zij de aangeklaagden zijn. Het is nu nog de tijd om een omkeer in deze situatie te brengen. Ze kunnen nog van hun tegenpartij afkomen door hun zonden te belijden. Als ze dat niet doen, zullen ze in de gevangenis worden geworpen. Zo is het ook met het volk gegaan. God heeft hen overgeleverd aan de volken. Hun roep “Zijn bloed over ons en onze kinderen” (Mt 27:25) vervult zich tot op vandaag. Echter niet voor altijd. De straf in de gevangenis zal niet eindeloos zijn, want ze zullen uit hun gevangenis komen als zij, dat wil zeggen een overblijfsel, hun zonden zullen belijden wanneer ze zien op Hem Die zij doorstoken hebben (Zc 12:10-14). Als ze dubbel hebben ontvangen, zullen ze vertroost worden (Js 40:1-2). Ze zijn nu bezig voor hun zonden te boeten. Ze zijn gestruikeld, maar niet voor altijd gevallen (Rm 11:11). Als de tijd van hun lijden, de grote verdrukking, voorbij is, neemt God hen weer aan (Rm 11:15).
Copyright information for
DutKingComments