2 Chronicles 6:20-25
Vraag om te luisteren naar zijn gebed
Salomo spreekt zijn gebed uit vóór het altaar (2Kr 6:12), op een koperen podium (2Kr 6:13). Het podium is niet bedoeld om zichzelf boven het volk te verheffen, maar opdat allen hem kunnen zien knielen en hem kunnen horen bidden (vgl. Ne 8:4-5). De maten van het podium zijn de maten van het oude brandofferaltaar in de tabernakel (Ex 27:1). Er is voor de tempel een nieuw en groter brandofferaltaar gemaakt. Toch er is ook een herinnering aan het oude, kleinere brandofferaltaar. Het brandofferaltaar is de plaats van ontmoeting tussen de heilige God en een zondig volk. Het offer op dat altaar wordt verteerd en het volk gaat vrijuit. Salomo’s voorbede is gefundeerd op het offer dat is gebracht. De dienst van voorbede van de Heer Jezus nu in de hemel is gegrond op Zijn offer, dat Hij op aarde heeft gebracht aan God door Zijn werk op het kruis. De houding van Salomo is passend en eerbiedig, in overeenstemming met zijn gebed. Hij spreidt “zijn handen uit naar de hemel”. Hij weet dat daar de HEERE woont. Later zal hij in zijn gebed wijzen op bidden in de richting van het huis (2Kr 6:26; 29; 34; 38) als een locatie op aarde. Dat is in overeenstemming met Gods wil. Het geloof kijkt vervolgens naar boven.De 2Kr 6:14-21 zijn een lange inleiding op het gebed dat Salomo bidt voor het volk. Hij veronderstelt het bestaan van andere goden (2Kr 6:14; vgl. Ex 15:11), maar niemand is met God te vergelijken (Dt 4:35; 39; 1Ko 8:6). Hij spreekt erover dat God Zich heeft gehouden aan wat Hij in het verleden gesproken heeft (2Kr 6:15). Dat is voor hem de aanleiding te vragen of God ook in de toekomst Zich zal houden aan wat Hij gesproken heeft (2Kr 6:16-17). Als Salomo zo een beroep heeft gedaan op Gods trouw in het verleden en zijn vertrouwen heeft uitgesproken in Gods trouw voor de toekomst, roemt hij de onmetelijke grootheid van God (2Kr 6:18). God gaat alles te boven. Hij is groter dan alle beloften en dan alle plaatsen waar iemand kan wonen, zowel op aarde als in het heelal. God woont niet in iets wat mensenhanden hebben gemaakt (Js 66:1; Js 6:1; Hd 7:48; Hd 17:24). Tegelijk is de grootheid van God voor hem de uitnodiging om die grote God te vragen aandacht te schenken aan zijn “gebed” en aan zijn “smeekbede” en te luisteren naar zijn “roepen” (2Kr 6:19). Salomo drukt zich steeds sterker uit: bidden, smeken, roepen. Hij verlangt er intens naar dat Gods aandacht voortdurend op dit huis zal zijn gericht, vanwege Zijn Naam die Hij daar heeft gevestigd (2Kr 6:20). Hij vraagt de HEERE nog eens om naar zijn gebed te luisteren, maar hij betrekt nu ook Israël erbij en vraagt de HEERE ook naar hun gebed te luisteren (2Kr 6:21). Salomo noemt de hemel de woonplaats van God. Hij beseft dat het huis dat hij gebouwd heeft daarvan slechts een afschaduwing is, want de hulp voor de bouw van dit huis moest van de hemel komen. Salomo spreekt tot de HEERE in het besef van zijn eigen geringheid. Hij is niet meer dan een dienaar die in alles afhankelijk is van zijn grote Meester. In drie op elkaar volgende verzen spreekt hij in elk vers over zichzelf als “Uw dienaar” (2Kr 6:19; 20; 21). Dat heeft hij in de voorgaande verzen steeds van zijn vader David gezegd. Wij mogen zeker als kinderen tot God komen, maar we zullen ook nooit mogen vergeten dat wij dienaren zijn. We mogen komen met de vrijmoedigheid van een kind, maar tegelijk ook met de eerbied van een slaaf voor zijn Heer.Eerste gebed
Na de inleiding op het gebed in de voorgaande verzen horen we in de 2Kr 6:22-39 wat Salomo bidt. Het is een gebed dat uit zeven delen of zeven gebeden bestaat. In deze zeven gebeden kunnen we een onderverdeling aanbrengen. De eerste vier gebeden horen bij elkaar en de laatste drie. De gebeden één tot en met vier hebben te maken met de verhoudingen van het volk onderling en het probleem van de zonde. Het gaat daarin om de persoonlijke verhouding tussen twee leden van Gods volk (gebed 1), het hele volk (gebeden 2 en 3) en de individuele Israëliet, die zich de algehele toestand van verval persoonlijk aantrekt en met het oog daarop zichzelf beproeft (gebed 4). De gebeden vijf tot en met zeven zijn meer naar buiten gericht en gaan meer over de volken om hen heen. Het gaat daarin om het lot van de vreemdeling en het getuigenis dat uitgaat van de hulp die deze van de HEERE ontvangt (gebed 5), de strijd van het volk en de steun van de HEERE die het ondervindt (gebed 6) en het volk in ballingschap vanwege hun zonden en de terugkeer naar het land (gebed 7).In deze gebeden neemt de belijdenis van zonde een grote plaats in. We zien dat de gebeden één tot en met vier en ook het zevende gebed betrekking hebben op zonde. Veel nood in Gods gemeente wordt door zonde veroorzaakt. Daarbij is het nog goed op te merken dat in de verschillende gebeden niet wordt gezegd: ‘Als zij om vergeving vragen’, maar: ‘Als zij hun zonden belijden, wilt U dan vergeven’ (vgl. 1Jh 1:9).We kunnen van de gebeden leren en een toepassing maken voor de tegenwoordige tijd, de tijd dat het koninkrijk van God in verborgenheid bestaat. Tot dit koninkrijk behoren allen die zich stellen onder het gezag van Heer Jezus, Die nu de biddende Koning-Priester is bij God en daar Zijn gebeden ten behoeve van ons uitspreekt. Zijn gebeden vinden ook weerklank in Zijn gemeente, want de gemeente is in de eerste plaats een huis van gebed (1Tm 2:1; Hd 2:42; Js 56:7; Mt 21:13).Nog een praktische opmerking. Het lezen, of liever: biddend lezen, van dit gebed duurt ongeveer vijf minuten. Dat is niet lang. De waarde en inhoud zitten dan ook niet in de lengte. Het is te wensen dat wij zo leren bidden, zo diep, zonder omhaal van woorden. Het gaat hier om een gebed in het openbaar. In de binnenkamer mogen we zolang bidden als we willen. Het eerste gebed (2Kr 6:22-23) gaat over de zonde van de een tegenover de ander, waarbij een eed wordt gevraagd. Als iemand verdacht wordt van zonde, of als het zeker is dat iemand heeft gezondigd, maar er is geen bewijs, dan kan de ander eisen dat de verdachte een eed aflegt. De verdachte moet dan onder ede uitspreken dat hij onschuldig is. Op grond van die eed wordt hij door de rechter als het ware aan de HEERE overgeleverd. Hij roept zelfs de vloek over zich af als hij toch schuldig is (Nm 5:11-28). Die vloek kan hem treffen in een directe Godsregering. De HEERE brengt de gevolgen over de schuldige. Waar mensen niet tot duidelijkheid kunnen komen, moet God die duidelijkheid verschaffen. Deze situatie kunnen wij ook vandaag onder Gods volk tegenkomen en wel in het geval dat er sprake is van een zonde tussen twee broeders. Hoe moeilijk kan het zijn om de waarheid aan het licht te krijgen en een juist oordeel te vellen. De vraag is vanuit welke houding de betrokkene met de zondigende broeder omgaat en hoe de gemeente ermee omgaat. Het is belangrijk ervoor te bidden dat de Heer de ware toedracht duidelijk maakt (Mt 18:15-20). De Heer maakt, als de gemeente Hem daar eenstemmig om vraagt, openbaar waar de zaak mis is en de gemeente het niet weet.Tweede gebed
Het tweede gebed betreft het geval dat het volk is overrompeld door de vijand vanwege een zonde van het volk als geheel (Lv 26:17). Als er zonde is, komen de vijanden. God zendt hen om Zijn volk te tuchtigen en hen tot belijdenis en terugkeer naar Hem te brengen (Ri 2:14-16). Belijdenis van een zonde mag rekenen op een luisterende God in de hemel en op vergeving van de zonde. Het gevolg van de zonde is dat het volk uit het land is verdreven of in elk geval de zegen van het land niet krijgt. Als er waarlijk berouw is over de zonde, krijgt het volk terug wat het door hun zonde is kwijtgeraakt. Dit geldt ook voor ons. Als we gezondigd hebben, zijn we in de macht van de vijand gekomen. De geestelijke zegeningen worden dan niet genoten. Als we onze zonde belijden, krijgen we ook de vreugde van de behoudenis terug (vgl. Ps 51:14a).De getrouwen lijden mee onder de gevolgen van algemene ontrouw. Het zal hen ertoe brengen te leven in een geest van gebed en belijdenis. Daardoor zullen ze in het bezit en genot van de zegeningen blijven. Afzondering van het kwaad mag rekenen op de zegen van de Heer.
Copyright information for
DutKingComments