2 Kings 2:3
De les van Bethel
Als Elia van Gilgal wil vertrekken om naar Bethel te gaan, zegt hij tegen Elisa om te blijven waar hij is, omdat de HEERE hem naar Bethel zendt. Hij lijkt daarmee te zeggen dat de opdracht van de HEERE voor hem persoonlijk geldt en dat dit niet betekent dat Elisa per se mee moet gaan. Daarmee stelt hij Elisa voor een persoonlijke keus. Dat doet Elia bij elke volgende plaats. Met deze opmerking test Elia als het ware de motieven van zijn metgezel om mee te gaan, of hij dat doet om Elia, of dat hij er ook een persoonlijke opdracht van de HEERE in ziet. Elisa slaagt elke keer met glans voor de test. Hij wil de lessen die aan elke plaats verbonden zijn, graag leren, om daardoor des te beter het volk van God als een man Gods te kunnen dienen. Elke keer gaat hij mee zonder ook maar één bedenking te uiten. Elisa gaat met Elia mee zoals vroeger Ruth met Naomi is meegegaan (Ru 1:19). Bethel spreekt van de onveranderlijke trouw van God, “want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk” (Rm 11:29). God was trouw ten aanzien van Jakob, de stamvader van Israël. Hij wilde bij Zijn volk wonen en bij hen Zijn ‘Bethel’, dat betekent ‘huis van God’, hebben. Evenzo is God trouw ten aanzien van Zijn hemelse volk, de gemeente van de levende God. Hij wil en zal ook bij ons Zijn ‘Bethel’ hebben. De gemeente wordt opgebouwd tot een eeuwige woonplaats van God in de Geest (Ef 2:22; Op 21:2-3). God zal ook met ons Zijn heerlijke einddoel bereiken. Dat kan door onze ontrouw en ons falen nooit ongedaan worden gemaakt. Het is goed en nodig dat wij ons dit telkens realiseren, hoewel wij tevens beschaamd ons hoofd zullen moeten buigen vanwege zoveel dingen die zijn binnengeslopen en die tot oneer van God zijn, zoals dwaalleer, materialisme, afgoderij en zondige praktijken. Wat is er echter over van wat God met Bethel heeft bedoeld? Elisa constateert dat er in Bethel een valse godsdienst is opgericht rond een gouden kalf. De godsdienst van het vlees heeft de ware dienst aan God verdrongen en vervangen. Mensen hebben eigen godshuizen gemaakt, naar eigen idee en vorm. Dat moet een dienaar ook zien. Het rechte verstaan van wat het huis van God is, is ook vandaag belangrijk om een dienst te kunnen doen. Abraham leerde de les. Hij richtte bij Bethel zijn tent en altaar op (Gn 12:8). Jakob kende die plaats ook, hij heeft daar God ontmoet (Gn 35:9-15). God geeft daar onderwijs over Zijn trouw aan Zijn beloften. In de toepassing voor ons betekent het dat dienaren worden gevormd in de gemeente. Eerst leren wat Gilgal betekent: het oordeel over het vlees, en dan leren wat Bethel betekent: het huis van God om daar God te leren kennen als de God van het huis van God. Bij Bethel zijn ook profetenleerlingen (vgl. 1Sm 10:5b; 1Sm 19:20). Op de profetenscholen in Bethel, en ook in Jericho (2Kn 2:5), hebben de ‘studenten’ onderwijs gekregen over de wegneming van Elia. De leerlingen menen dat ze Elisa daarover moeten informeren, zonder dat ze zelf een verbinding met Elia hebben. Ze spreken tot Elisa over Elia niet als ‘onze’ heer, maar als ‘uw’ heer. Ze merken ook dat Elisa dingen onderwijst die zij niet leren op hun school. Ze gaan niet mee langs de weg die Elisa met Elia gaat, maar staan van verre. De leerling-profeten vertellen Elisa niets nieuws. Ondanks het feit dat hij niet kan bogen op een opleiding aan een erkend instituut, is hij op de hoogte van wat er met Elia zal gebeuren. Elisa heeft geen opleiding, hij heeft alleen zijn roeping.De uitdrukking ‘van boven uw hoofd zal wegnemen’, zoals er letterlijk staat (zo ook in 2Kn 2:5), duidt aan dat Elia boven Elisa staat en hem onderwijs geeft. Dit is ook letterlijk het geval als Elisa aan zijn voeten zit en Elia dus boven zijn hoofd staat. Elisa zal binnenkort zonder de aanwijzingen van zijn meester zelfstandig zijn taak moeten verrichten.
Copyright information for
DutKingComments