‏ 2 Kings 6:2

Inleiding

Elisa is een man Gods. Dat komt in elk gedeelte van dit hoofdstuk naar voren. Hij is de man van genade, ook al ontbreekt het aspect van het oordeel niet. Bij Elia is dat andersom. Die genade is niet het gevolg van een omwenteling in het volk. Het is een genade die God schenkt, terwijl de toestand van het volk zo donker is. In dit hoofdstuk en het volgende zien we daarvan drie voorbeelden.

Een nieuwe woonplaats

We ontmoeten hier weer de zonen van de profeten of leerling-profeten over wie we ook in 2 Koningen 2 enkele keren lezen. Zij zijn in scholen verenigd die dateren uit de tijd van Samuel. Het zijn getrouwe mannen, die we kunnen zien als een overblijfsel onder het volk van God. Ze hebben vanaf 2 Koningen 2 lessen geleerd. Eerst hebben ze geen verlichte ogen en ook hebben ze de hemelvaart van Elia niet gezien, terwijl ze wel kennis hebben van het feit van zijn opname. Inmiddels hebben ze gezien wie Elisa is, hoe de geest van Elia op hem rust. Ze hebben enkele van zijn wonderen gezien.

Elisa is bij hen, mogelijk om hen verder onderwijs te geven. Dan komen ze met een wens bij hem. Ze willen een nieuwe woonplaats bouwen, want er is een grotere ruimte nodig om samen te wonen. Dat zal komen door een toename van het aantal leerling-profeten. De man Gods is een aantrekkingspunt voor wie meer van de HEERE willen weten.

We kunnen dit toepassen op een plaatselijke gemeente. Als er in een plaats een man Gods is, zal er toename zijn. In een man Gods wordt de Heer Jezus zichtbaar. Waar Hij zichtbaar wordt, zullen zij die Hem zoeken daar ook willen zijn. Een man Gods staat niet als enkeling boven de plaatselijke gemeenschap, maar maakt er deel van uit. Hij is niet een getuigenis in een getuigenis, maar maakt wel de kracht van het getuigenis uit. Als er bijvoorbeeld een besluit moet worden genomen, doet hij dat niet als eenling. Een besluit wordt door de hele gemeente genomen. Vaak zal men wel tot een bepaald besluit komen naar aanleiding van zijn advies. Hij wijst de weg.

De leerling-profeten stellen voor om naar de Jordaan te gaan. De Jordaan is de rivier waar de Israëlieten doorheen moesten gaan om in het beloofde land te gekomen. Voor ons is de Jordaan een beeld van de dood en de opstanding en de verheerlijking van de Heer Jezus, waardoor wij in de hemelse gewesten, het hemelse land, zijn gekomen. God heeft ons “mee doen zitten in de hemelse [gewesten] in Christus Jezus” (Ef 2:6). Dat ze voorstellen om naar de Jordaan te gaan, kunnen we in geestelijk opzicht dan ook zien als een bewijs van hun geestelijke groei. Eerst hebben ze de Jordaan van ver gezien (2Kn 2:7), ze zijn op een afstand ervan blijven staan, maar nu willen ze er wonen.

Het voorstel is dat ieder van hen een balk bij de Jordaan zal halen om daarmee samen een nieuwe verblijfplaats te bouwen. Ze hebben ieder een persoonlijk aandeel in de bouw. Ieder levert naar zijn vermogen een bijdrage. Zo is het ook met het bouwen aan Gods huis. Voor de bouw ervan heeft de Heer ieder van de Zijnen een eigen verantwoordelijkheid gegeven. We dragen allemaal bij aan de bouw van de gemeente, ieder met zijn of haar eigen gave. Wel is het zaak om met goed materiaal te bouwen.

Als Elisa toestemt in het verzoek, gaan de leerling-profeten niet direct op weg. Ze willen dat Elisa meegaat. Dat is een goede zaak. Ze gaan niet alleen op zijn aanwijzing op weg, ze willen zich ook verzekeren van zijn aanwezigheid op die weg. Elisa wijst niet alleen de weg, maar is ook bij hen op de weg die hij wijst. Dat doet de Geest ook met ons. Hij geeft de weg aan die we moeten gaan en begeleidt ons ook op die weg. We mogen door de Geest wandelen (Gl 5:25). We hebben de Heer niet alleen nodig om ons de juiste weg te wijzen, we hebben Hem ook nodig op de weg zelf.

Copyright information for DutKingComments