‏ Acts 15:1-10

Behoudenis én besnijdenis?

Na tegenstand van buitenaf van de ongelovige Joden samen met de heidenen komt er nu tegenstand vanuit het midden van de gelovigen. Gelovige Joden uit Judéa die nog leven in verbinding met de eisen van de wet, willen deze eisen opleggen aan de gelovigen uit de volken. Zij zijn naar dit nieuwe centrum van het werk in Antiochië gekomen om daar hun leerstellingen aan de gelovigen op te leggen. Hun lering houdt in dat de behoudenis afhankelijk wordt gemaakt van de besnijdenis.

Dit is een frontale aanval op het evangelie van de genade van God, en dat in het centrum van de gemeente. Deze mensen willen voorkomen dat het christendom los komt te staan van het Jodendom. Als dit zou zijn gelukt, zou het christendom slechts een Joodse sekte zijn geworden. Wat deze Judaïsten zeggen, is hetzelfde als te zeggen: Als je niet bij onze groep komt, kun je niet behouden worden, want buiten ons is geen zaligheid. Voor hen die dit naar voren brengen, is het geen vraag of ze gelijk hebben. Er is in hun wettische leer daaraan niet het geringste spoor van twijfel.

Nu zou hun leer niet veel opschudding hoeven te veroorzaken als de gelovigen zelf in de waarheid bevestigd zouden zijn en daaraan ook zouden vasthouden. Mensen die een wettische leer brengen, hebben noch de Schrift noch de apostelen aan hun kant. Het volk is echter volgzaam en deze personen spreken met stemverheffing en overredingskracht. Daarom moet er krachtig tegen worden opgetreden.

Het betreft dan ook niet een klein verschil van inzicht, maar het raakt de kern van het evangelie. Het invoeren van de wet is de loochening van een opgestane en verheerlijkte Christus. Het ontkent dat door Christus alles is volbracht wat nodig is om behouden te worden. Deze mensen kijken terug naar de tijd vóór het kruis, naar dingen en personen op aarde. Ze kijken niet door een gescheurde voorhang naar Christus daarboven. Ze willen de oude heerlijkheid van de Joden vasthouden waaraan zij eer voor zichzelf ontlenen. Zij leren dat er alleen behoudenis kan zijn door geheel en al Jood te worden.

In dit hoofdstuk gaat het erom dat vastgesteld wordt dat de behoudenis in niets anders ligt dan alleen in het geloof in de Heer Jezus zonder enige aanvullende voorwaarde. Behalve dat de crisissituatie gaat over een leerstuk van het hoogste belang, gaat het ook om het voorkomen van een scheuring in de gemeente en wel tussen gelovige Joden en gelovige heidenen.

De Joodse christenen blijven ijveraars voor de wet. Op zich is dat niet het probleem. Het probleem is, dat ze gelovigen uit de heidenen ertoe willen verplichten zich ook aan de geboden van de wet te houden. Voor de Joodse christenen is het christendom een voortzetting van het Jodendom, maar nu met het geloof in de Messias Jezus. Voor hen zijn de gemeenten onder de volken gemeenten van proselieten. Zij beschouwen deze gelovigen als mensen die zijn overgegaan naar het Jodendom. Er is voor hen nog niets naast het Jodendom. Maar zij hebben het mis, want het christendom is iets volkomen nieuws dat niets met het Jodendom gemeen heeft.

Als de gelovigen aan het Jodendom blijven vasthouden of verplicht zouden worden eraan vast te houden, zou het christendom worden gereduceerd tot het Jodendom. Later zal Paulus de nieuwe bedeling in al zijn facetten in het licht stellen door middel van de diverse brieven die hij aan diverse gemeenten schrijft. Hij laat vooral in de brief aan de Efeziërs zien dat Jood en heiden samen iets nieuws zijn geworden in de gemeente.

De verkeerde leer bewerkt een grote discussie, tweedracht, onrust en verwarring. Paulus en Barnabas, die hun werk bedreigd zien, protesteren krachtig tegen deze valse leer. Gelukkig hebben de broeders in Antiochië zoveel vertrouwen in Paulus en Barnabas, dat zij bepalen dat deze twee samen met enkele anderen naar Jeruzalem moeten gaan om daar deze twistvraag aan de apostelen en oudsten voor te leggen.

Het probleem is niet alleen een probleem van Antiochië. Ook Jeruzalem is er direct bij betrokken. Deze kwestie moet naar de raad van God niet worden opgelost door apostolisch gezag of door de werking van Zijn Geest in Antiochië. Dit zou de gemeente misschien hebben verdeeld. Om de eenheid te bewaren moet deze zaak worden opgelost tijdens een conferentie in Jeruzalem, het centrum van de Joodse orde. In Jeruzalem moeten de Joodse christenen, de apostelen, de oudsten en de hele gemeente, uitspreken dat de gelovigen uit de heidenen vrij van de wet zijn. De dingen die op het spel staan, raken de kern van het christendom. Het belang van een standpunt naar Gods gedachten is groot.

Naar en in Jeruzalem

De reis naar Jeruzalem wordt ook tot Gods eer en tot zegen van de gemeente besteed. Onderweg verhaalt het gezantschap in de streken waar ze doorheen trekken de bekering van de volken. Dat doen ze in Fenicië – het huidige Libanon – en Samaria. Hun verhalen veroorzaken grote blijdschap. Toen zij enige tijd geleden zelf het evangelie hoorden en aannamen, had hen dat blij gemaakt (Hd 8:8). Nu is er grote blijdschap als ze horen dat anderen uit de niet-Joden het hebben aangenomen.

De broeders hebben nog niet eerder van dit werk gehoord. Het is nieuw voor hen, maar ze stemmen met grote vreugde in met wat ze horen. Het is belangrijk er steeds aan te denken dat het speciale van de bekering van de volken is, dat dit gebeurt los van het Jodendom en ook zonder dat ze na hun bekering Joden hoeven te worden.

Als het gezelschap in Jeruzalem aankomt, wordt het ontvangen door de gemeente, die ongetwijfeld bij elkaar is geroepen. De apostelen en de oudsten worden apart genoemd. Paulus en Barnabas en de anderen beginnen niet ineens over de twistvraag. Eerst vertellen ze, net zoals ze onderweg hebben gedaan, over alles wat God met hen heeft gedaan. Ze vertellen hoe God overal heiden-gemeenten heeft doen ontstaan.

Dit is voor enigen van de sekte van de farizeeën aanleiding om op te staan en hun opvattingen aangaande de besnijdenis en de wet naar voren te brengen. Ze worden niet tegengehouden om hun leringen te uiten, maar krijgen alle ruimte om te zeggen wat ze willen. Voor een goede oplossing is het noodzakelijk dat iedereen de gelegenheid krijgt om zijn gedachten te uiten. Deze dingen worden niet zomaar door een enkel woord geregeld.

De verdedigers van de wet krijgen dan ook eerst alle gelegenheid hun zienswijze naar voren te brengen. Zij hebben veel op het verslag aan te merken, want zij zijn er fel op tegen dat de apostelen niet de besnijdenis hebben gepredikt en ook niets hebben gezegd over het houden van de wet van Mozes. De woordvoerders zijn als farizeeën zeer vertrouwd met de hele wet, waaraan ze zichzelf ook nauwgezet houden.

Lukas heeft het over “de sekte van de farizeeën”. Een sekte is een groep die zich onderscheidt van andere groepen. Het woord ‘sekte’ betekent ‘uitkiezen’. Het hoeft niet om valse leringen te gaan, maar het gaat wel over de overaccentuering van een leer of een persoon.

Het woord ‘sekte’ komt negen keer in het Nieuwe Testament voor, zes keer in Handelingen en drie keer in de brieven (Hd 5:17; Hd 15:5; Hd 24:5; 14; Hd 26:5; Hd 28:22; 1Ko 11:19; Gl 5:20; 2Pt 2:1). Het gaat in de gemeente in Korinthe om groepen van gelovigen die zich van elkaar afzonderen door personen na te volgen die hun favoriet zijn (1Ko 1:12). In de brief aan de Galaten worden sekten een uiting van het vlees genoemd. Petrus schrijft over verderfelijke sekten als het werk van valse leraars.

Een sekte is niet iets van de Geest, maar van de mens, het vlees, de duivel. De farizeeën die hier hun stem verheffen, zijn tot geloof in de Messias Jezus gekomen, maar blijven met hart en ziel verbonden aan de wet en zijn gebruiken. Dit zijn de inzettingen van God die daarom ook door de gelovigen uit de heidenen in acht genomen moeten worden, zo vinden zij.

Nadat de farizeeën hun opmerkingen hebben gemaakt en daarmee de kern van het probleem hebben neergelegd, vergaderen de apostelen en de oudsten samen om zich met dit probleem bezig te houden. Het lijkt erop dat alleen de apostelen en de oudsten over deze zaak hebben gesproken, zonder dat de hele gemeente daarbij aanwezig was. In elk geval hebben broeders die verantwoordelijk zijn voor de gemeente er met elkaar over gesproken. Het is niet door enkele apostelen behandeld die hun besluit dwingend aan de anderen hebben opgelegd. Het is goed om zoveel mogelijk broeders die verantwoordelijkheid hebben in de besluitvorming te betrekken.

Reactie van Petrus

Ook in de kleinere kring van verantwoordelijke broeders is de eenstemmigheid aanvankelijk ver te zoeken. Er ontstaat veel redetwist. Er is vrijheid om te zeggen wat men op het hart heeft, al kan het vlees daarvan misbruik maken. Toch wordt er niet gezegd: ‘Hier wordt niet gediscussieerd.’ Ook worden er geen structuren aangebracht om deze discussies te voorkomen. Daarmee zou de vrijheid om zich te uiten aan banden worden gelegd. In alle redetwist moet het erom gaan dat men de wil van de Heilige Geest leert verstaan, zodat ten slotte gezegd kan worden dat “de Heilige Geest en wij” tot een bepaald besluit zijn gekomen (Hd 15:28).

Tijdens het geredetwist staat Petrus op. Na zijn bevrijding uit de gevangenis is hij naar een andere plaats gereisd (Hd 12:17), maar hier is hij weer terug in Jeruzalem. Wat hij gaat zeggen, laat zien dat hij de les bij Cornelius grondig heeft geleerd (Hd 10:34). Hij heeft goed geluisterd naar wat de anderen hebben gezegd. Geleid door de Geest staat hij op het goede moment op (Sp 18:13). Na de gedachten van de mensen worden de gedachten van God gegeven en komt men tot een eenstemmig besluit.

Petrus begint met eraan te herinneren hoe God hem als een speciaal instrument heeft ingezet met de bedoeling dat door zijn mond de volken het evangelie zouden horen en dat zij dat dan ook zouden geloven. Het was niet Gods bedoeling dat ze het alleen maar zouden horen, nee, het was de bedoeling dat ook zij tot geloof zouden komen.

Dat ze inderdaad tot geloof zijn gekomen, heeft God bewezen door aan hen de Heilige Geest te geven, evenals aan “ons”, dat zijn de gelovige Joden. Door Zijn Geest ook aan bekeerde heidenen te geven heeft God er Zelf getuigenis van gegeven dat Hij hen heeft behouden (Rm 8:9; Ef 1:13). God heeft hun geloof verzegeld met de Heilige Geest, zonder enige voorafgaande voorwaarde, maar louter op grond van geloof. God kende de harten van Cornelius en de zijnen en zag het geloof in die harten. Nooit zou Hij Zijn Geest in hun harten hebben gegeven als die niet door het geloof waren gereinigd.

Hoe zouden mensen dan nog aanvullende voorwaarden kunnen stellen, voorwaarden die ook nog eens niet door hen die ze stellen, zijn vervuld? God eist geen uiterlijke handeling zoals de besnijdenis of de proselietendoop, maar reinigt hun harten door het geloof. De functie van de wet is de mens te veroordelen. Door de wet komt kennis van de zonde, maar de wet brengt niet de redding van de zonde.

Petrus vertelt over de functie en de uitwerking van de wet. Hij stelt met kracht dat het niet te dragen juk van de wet met daaraan onlosmakelijk verbonden de onmogelijkheid erdoor behouden te worden zeker niet aan anderen mag worden opgelegd. Hoe zou dat kunnen en waarom zouden ze dat dan doen? Het is een zo grote zonde, dat Petrus het gelijkstelt aan het verzoeken van God. Het is een uitdagen van God, het is Hem op de proef stellen om te kijken hoever men kan gaan.

Het is een beledigen van God om te zeggen dat er bij het werk dat de Heer Jezus heeft gedaan nog iets moet gebeuren om gered te worden. Nee, de grondslag waarop de heidenen staan, is die van genade en geloof. Op grond daarvan zijn zij behouden geworden. Petrus stelt de wijze waarop God heidenen redt als voorbeeld van de wijze waarop ook Joden kunnen worden gered en niet andersom. De oorsprong ligt in de genade van de Heer Jezus, en genade plaatst iedereen op dezelfde grondslag voor God.

Copyright information for DutKingComments