Acts 20:22-27
Het evangelie van de genade van God
Dan maakt Paulus de oudsten deelgenoot van het doel van zijn reis en de drang die hij daartoe voelt. Hij werd al geruime tijd innerlijk sterk gedrongen om naar Jeruzalem te gaan. Dat hij zegt “gebonden in de geest” – dat is zijn eigen, menselijke geest en niet de Heilige Geest –, zou erop kunnen wijzen dat het een verplichting van de liefde voor zijn volk was die niet zijn directe oorsprong in een opdracht van God had, hoewel ook niet noodzakelijk tegen de wil van God. Het is ermee als met de wens die hij heeft geuit om met een vloek gescheiden te zijn van Christus ter wille van zijn broeders naar het vlees (Rm 9:3). Deze verlangens van Paulus hebben niets te maken met het zondige vlees, maar zouden hoogstens een gedrevenheid kunnen zijn vanuit de nobelste motieven. Mocht het een zwakheid blijken te zijn, dan is elke zelfzucht in dit verlangen hem vreemd. Het enige motief is zijn brandende liefde voor zijn eigen volk. Die liefde drijft hem om zo te zeggen in het hol van de leeuw. Paulus is eigenlijk een slaaf – wat in het woord ‘gebonden’ opgesloten ligt – van zijn eigen gemoed. Hij wordt zó gedrongen, dat er voor hem geen andere weg openstaat. Hoewel het mogelijk is dat Paulus niet handelt onder de directe leiding van de Heilige Geest, maar vanuit de zwakheid van zijn eigen geest vanwege zijn liefde voor zijn verwanten naar het vlees, zal de Heer dat toch gebruiken tot eer van Zijn Naam. Er is bij Paulus geen zelfbedrog. Dat zien we ook in wat de Heilige Geest hem betuigt. Naar aanleiding van het getuigenis van de Geest had Paulus een uitweg kunnen zoeken, maar dat doet hij niet. Hij wist wat de Heilige Geest tegen hem zei en dat zou kunnen betekenen dat hij niet moest gaan. De Geest zei niet rechtstreeks dat hij niet moest gaan, maar vertelde hem alleen wat hem te wachten stond. Paulus koos bewust voor wat hem wachtte, uit liefde voor de Heer Jezus en Zijn aardse volk, om enigen uit Zijn volk te behouden. Hij wist dat Gods hand hierin was. En wij weten dat God zijn gevangenschap zou gebruiken voor het schrijven van brieven met de hoogste christelijke waarheden. Alle lijden kon Paulus niet verhinderen zich te richten naar de wil van God. Hij had van zijn Meester geleerd hoe lijden in een wereld vol zonde en ellende een God verheerlijkende uitwerking kan hebben. Van dat lijden droeg Paulus de merktekens in zijn lichaam (Gl 6:17). Paulus kon rekenen. Hij berekende zowel de waarde van zijn leven voor zichzelf als de waarde van zijn leven in dienst van zijn Heer. Uit die rekensom bleek dat alle winst lag bij de Heer Jezus en de opdracht die Hij hem had gegeven (vgl. Fp 3:7-9). Hij zag zijn leven als Gods gift aan hem, waarmee God een plan had: een dienst om die ten volle te vervullen. Hij zou zijn loop ook voleindigen (2Tm 4:6-7). Paulus vult dat zo in, dat hij voor het volbrengen van zijn loop het evangelie van de genade van God ook aan zijn eigen volk moet betuigen. Het evangelie van de genade van God is het volle evangelie. De genade van God houdt meer in dan bekering en geloof. Bij bekering en geloof ligt het accent meer op de nood van de zondaar. Bij het evangelie van de genade van God ligt het accent op de kant van God, alles wat Hij heeft gedaan door het bekendmaken van Zijn genade. We vinden dit evangelie in de brief aan de Romeinen. We leren daar onder andere dat de gelovige staat in de genade van God en dat hij is gerechtvaardigd door het geloof alleen, op grond van de dood en opstanding van de Heer Jezus (Rm 5:1-2).Het koninkrijk en de raad van God
Paulus kondigt zijn afscheid aan. Het zal een definitief afscheid zijn. Hij weet dat ze elkaar niet zullen weerzien. Tegen de achtergrond van deze aankondiging herinnert hij de oudsten eraan dat hij onder hen allen is rondgegaan om het koninkrijk te prediken. Het koninkrijk wordt hier voor de vijfde keer genoemd van de in totaal zeven keer dat er in Handelingen over wordt gesproken (Hd 1:3; Hd 8:12; Hd 14:22; Hd 19:8; Hd 20:25; Hd 28:23; 31). Paulus heeft niet alleen over het koninkrijk in zijn toekomstige heerlijke vorm gesproken, zoals het zal zijn als de Heer Jezus op aarde regeert. Hij heeft ook de betekenis van het koninkrijk verkondigd die het in deze tijd heeft, waarin het nog niet zichtbaar, maar wel aanwezig is (Ko 1:13; Rm 14:17). De gelovigen zijn in dat koninkrijk onderdanen van de Heer Jezus. Aan het koninkrijk is de gedachte van heerschappij en dienen verbonden. Gelovigen erkennen de Heer Jezus als hun Heer en dienen Hem. Het koninkrijk heeft te maken met onze erkenning van de heerschappij van de Heer Jezus in het dagelijkse leven en dat op elk terrein ervan. Omdat zij zijn gezicht niet meer zullen zien, “daarom”, betuigt hij op deze dag dat hij rein is van het bloed van allen. Eerder zei hij tegen ongelovigen dat hij rein was van hun bloed (Hd 18:6), hier zegt hij dat tegen gelovigen. Hij weet dat hij tegenover hen niet in de schuld staat. Hij heeft hun immers alles verteld wat hij hun moest vertellen. Het woord “want” geeft de reden aan van zijn rein zijn van het bloed van allen, niet alleen van de oudsten: hij heeft niets achtergehouden van de hele raad van God. De verkondiging van de raad van God is het vierde onderdeel van zijn bediening. Later zal hij die raad vastleggen in vooral de brief aan de Kolossenzen en de brief aan de Efeziërs. Het is de raad van God die zich uitstrekt van eeuwigheid tot eeuwigheid. Aan zijn bediening met betrekking tot de raad van God is een einde gekomen, want alles wat hij mee te delen had, heeft hij meegedeeld. Er zullen na wat hem is toevertrouwd geen nieuwe dingen meer worden geopenbaard (Ko 1:25).
Copyright information for
DutKingComments