‏ Acts 20:25-31

Het koninkrijk en de raad van God

Paulus kondigt zijn afscheid aan. Het zal een definitief afscheid zijn. Hij weet dat ze elkaar niet zullen weerzien. Tegen de achtergrond van deze aankondiging herinnert hij de oudsten eraan dat hij onder hen allen is rondgegaan om het koninkrijk te prediken. Het koninkrijk wordt hier voor de vijfde keer genoemd van de in totaal zeven keer dat er in Handelingen over wordt gesproken (Hd 1:3; Hd 8:12; Hd 14:22; Hd 19:8; Hd 20:25; Hd 28:23; 31).

Paulus heeft niet alleen over het koninkrijk in zijn toekomstige heerlijke vorm gesproken, zoals het zal zijn als de Heer Jezus op aarde regeert. Hij heeft ook de betekenis van het koninkrijk verkondigd die het in deze tijd heeft, waarin het nog niet zichtbaar, maar wel aanwezig is (Ko 1:13; Rm 14:17). De gelovigen zijn in dat koninkrijk onderdanen van de Heer Jezus. Aan het koninkrijk is de gedachte van heerschappij en dienen verbonden. Gelovigen erkennen de Heer Jezus als hun Heer en dienen Hem. Het koninkrijk heeft te maken met onze erkenning van de heerschappij van de Heer Jezus in het dagelijkse leven en dat op elk terrein ervan.

Omdat zij zijn gezicht niet meer zullen zien, “daarom”, betuigt hij op deze dag dat hij rein is van het bloed van allen. Eerder zei hij tegen ongelovigen dat hij rein was van hun bloed (Hd 18:6), hier zegt hij dat tegen gelovigen. Hij weet dat hij tegenover hen niet in de schuld staat. Hij heeft hun immers alles verteld wat hij hun moest vertellen. Het woord “want” geeft de reden aan van zijn rein zijn van het bloed van allen, niet alleen van de oudsten: hij heeft niets achtergehouden van de hele raad van God.

De verkondiging van de raad van God is het vierde onderdeel van zijn bediening. Later zal hij die raad vastleggen in vooral de brief aan de Kolossenzen en de brief aan de Efeziërs. Het is de raad van God die zich uitstrekt van eeuwigheid tot eeuwigheid. Aan zijn bediening met betrekking tot de raad van God is een einde gekomen, want alles wat hij mee te delen had, heeft hij meegedeeld. Er zullen na wat hem is toevertrouwd geen nieuwe dingen meer worden geopenbaard (Ko 1:25).

Waarschuwingen

Zo heeft hij verantwoording afgelegd van zijn motieven en zijn bediening. Nu richt hij zich tot de oudsten. Hij roept hen op in de eerste plaats op hun eigen geestelijke gezindheid te letten. Alleen als die in orde is, kunnen ze ook letten op de kudde om die te voorzien van wat nodig is (vgl. 1Tm 4:16). Zoals gezegd, spreekt Paulus deze groep oudsten aan als opzieners. Hij wijst hen ook op de oorsprong van hun dienst. Niemand minder dan de Heilige Geest heeft hun die plaats in de gemeente in Efeze gegeven.

Van enige aanstelling van oudsten door de gemeente of door een of andere menselijke instelling is geen sprake. De Heilige Geest stelt ze aan. Als er een mens aan te pas komt, is dat een apostel of diens afgezant. Dat blijkt uit de enkele keren dat er over het aanstellen van oudsten wordt gesproken (Hd 14:23; Tt 1:5). Aangezien er geen apostelen meer zijn, valt de aanstelling door mensen weg.

Zoals eerder is aangegeven, zijn oudste en opziener namen voor dezelfde persoon. In de kerk is daarmee anders omgegaan. Het Griekse woord voor ‘oudste’ is presbuteros. Dat is verbasterd tot ons woord ‘priester’. Het Griekse woord voor ‘opziener’ is episkopos. Dat is verbasterd tot ons woord ‘bisschop’. Al spoedig is er in de christelijke kerk een onderscheid gemaakt tussen de priester en de bisschop. Dat onderscheid bestaat in het Nieuwe Testament niet. Het duidt dezelfde persoon aan, maar met een verschillend accent. Bij oudste gaat het meer om de leeftijd, wijsheid en levenservaring; bij opziener gaat het meer om de taak, het toezicht houden op de kudde.

Oudsten of opzieners verrichten hun taak in de plaatselijke gemeente. De plaatselijke gemeente is een miniatuur van de wereldwijde gemeente. Die hele gemeente is de gemeente van God. Hij heeft die Zich “verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon]” (Hd 20:28). Het is het bloed van Hem Die van Hemzelf is. Het is het bloed van Zijn Eigen. Het woord ‘Zoon’ staat er niet. Zijn eigen bloed is niet het bloed van God. Dat gaat te ver, zo spreekt de Schrift nergens. Het bloed is verbonden aan de Heer Jezus, de Zoon van God Die Mens werd om Zijn bloed te kunnen geven als koopsom voor de gemeente.

Het is de gemeente van Gód en niet die van de oudsten of welk mens dan ook. Het zal door sommigen onbewust gebeuren, maar iedere voorganger die spreekt over ‘mijn gemeente’, spreekt aanmatigend en treedt in de rechten van God. Alleen de Heer Jezus heeft het recht om te spreken over “Mijn gemeente” (Mt 16:18). Geen mens heeft die gemeente verworven, dat heeft de Heer Jezus gedaan. Het is dan ook kwalijk als een mens dan toch spreekt over ‘mijn gemeente’.

Vervolgens spreekt Paulus over de zeer nabije toekomst. Hij spreekt over “na mijn vertrek”. In de eerste plaats voorziet hij dat er van buiten wrede wolven (vgl. Mt 7:15; Jh 10:12) zullen binnenkomen om hun verscheurende werk in de gemeente te doen. Zij kunnen binnenkomen omdat de herders niet waakzaam zijn gebleven. Van zulke lieden hebben we een voorbeeld in de tweede brief van Johannes, waarin we ook de aanwijzing hebben dat zulke wrede wolven de toegang moet worden ontzegd (2Jh 1:10-11).

In de tweede plaats zullen er uit het midden van de gemeente mensen opstaan die de waarheid verdraaien. Ze doen dat om zichzelf tot middelpunt te maken in plaats van Christus. Dwaalleraren brengen niet alleen valse leer, maar zoeken ook aanhangers. Ze werpen zich op als sekteleiders. Dezen zijn vaak moeilijker te herkennen dan de wrede wolven. Van deze gevaren van binnenuit hebben we in de derde brief van Johannes in de persoon van Diótrefes een veelzeggend en waarschuwend voorbeeld (3Jh 1:9-10).

In verband met wat er binnenkort gaat gebeuren, waarschuwt Paulus om te waken. Hij bindt hun eigen verantwoordelijkheid op hen. Ze moeten steeds blijven denken aan wat hij hun heeft gezegd om hen op de rechte Weg te houden en ook hoe hij dat heeft gedaan. Onophoudelijk, nacht en dag (vgl. Gn 31:38-40; 1Sm 25:16), is hij daarmee bezig geweest, drie jaar lang. Telkens zijn daarbij tranen tevoorschijn gekomen, zo bewogen is hij over het lot van zijn geliefde Efeziërs. Zijn boodschap is met tranen doorweekt. Zulke woorden moeten wel doel treffen in harten waarin ware zorg voor de gemeente aanwezig is.

Copyright information for DutKingComments