Acts 20:31-35
Waarschuwingen
Zo heeft hij verantwoording afgelegd van zijn motieven en zijn bediening. Nu richt hij zich tot de oudsten. Hij roept hen op in de eerste plaats op hun eigen geestelijke gezindheid te letten. Alleen als die in orde is, kunnen ze ook letten op de kudde om die te voorzien van wat nodig is (vgl. 1Tm 4:16). Zoals gezegd, spreekt Paulus deze groep oudsten aan als opzieners. Hij wijst hen ook op de oorsprong van hun dienst. Niemand minder dan de Heilige Geest heeft hun die plaats in de gemeente in Efeze gegeven. Van enige aanstelling van oudsten door de gemeente of door een of andere menselijke instelling is geen sprake. De Heilige Geest stelt ze aan. Als er een mens aan te pas komt, is dat een apostel of diens afgezant. Dat blijkt uit de enkele keren dat er over het aanstellen van oudsten wordt gesproken (Hd 14:23; Tt 1:5). Aangezien er geen apostelen meer zijn, valt de aanstelling door mensen weg. Zoals eerder is aangegeven, zijn oudste en opziener namen voor dezelfde persoon. In de kerk is daarmee anders omgegaan. Het Griekse woord voor ‘oudste’ is presbuteros. Dat is verbasterd tot ons woord ‘priester’. Het Griekse woord voor ‘opziener’ is episkopos. Dat is verbasterd tot ons woord ‘bisschop’. Al spoedig is er in de christelijke kerk een onderscheid gemaakt tussen de priester en de bisschop. Dat onderscheid bestaat in het Nieuwe Testament niet. Het duidt dezelfde persoon aan, maar met een verschillend accent. Bij oudste gaat het meer om de leeftijd, wijsheid en levenservaring; bij opziener gaat het meer om de taak, het toezicht houden op de kudde. Oudsten of opzieners verrichten hun taak in de plaatselijke gemeente. De plaatselijke gemeente is een miniatuur van de wereldwijde gemeente. Die hele gemeente is de gemeente van God. Hij heeft die Zich “verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon]” (Hd 20:28). Het is het bloed van Hem Die van Hemzelf is. Het is het bloed van Zijn Eigen. Het woord ‘Zoon’ staat er niet. Zijn eigen bloed is niet het bloed van God. Dat gaat te ver, zo spreekt de Schrift nergens. Het bloed is verbonden aan de Heer Jezus, de Zoon van God Die Mens werd om Zijn bloed te kunnen geven als koopsom voor de gemeente. Het is de gemeente van Gód en niet die van de oudsten of welk mens dan ook. Het zal door sommigen onbewust gebeuren, maar iedere voorganger die spreekt over ‘mijn gemeente’, spreekt aanmatigend en treedt in de rechten van God. Alleen de Heer Jezus heeft het recht om te spreken over “Mijn gemeente” (Mt 16:18). Geen mens heeft die gemeente verworven, dat heeft de Heer Jezus gedaan. Het is dan ook kwalijk als een mens dan toch spreekt over ‘mijn gemeente’. Vervolgens spreekt Paulus over de zeer nabije toekomst. Hij spreekt over “na mijn vertrek”. In de eerste plaats voorziet hij dat er van buiten wrede wolven (vgl. Mt 7:15; Jh 10:12) zullen binnenkomen om hun verscheurende werk in de gemeente te doen. Zij kunnen binnenkomen omdat de herders niet waakzaam zijn gebleven. Van zulke lieden hebben we een voorbeeld in de tweede brief van Johannes, waarin we ook de aanwijzing hebben dat zulke wrede wolven de toegang moet worden ontzegd (2Jh 1:10-11). In de tweede plaats zullen er uit het midden van de gemeente mensen opstaan die de waarheid verdraaien. Ze doen dat om zichzelf tot middelpunt te maken in plaats van Christus. Dwaalleraren brengen niet alleen valse leer, maar zoeken ook aanhangers. Ze werpen zich op als sekteleiders. Dezen zijn vaak moeilijker te herkennen dan de wrede wolven. Van deze gevaren van binnenuit hebben we in de derde brief van Johannes in de persoon van Diótrefes een veelzeggend en waarschuwend voorbeeld (3Jh 1:9-10). In verband met wat er binnenkort gaat gebeuren, waarschuwt Paulus om te waken. Hij bindt hun eigen verantwoordelijkheid op hen. Ze moeten steeds blijven denken aan wat hij hun heeft gezegd om hen op de rechte Weg te houden en ook hoe hij dat heeft gedaan. Onophoudelijk, nacht en dag (vgl. Gn 31:38-40; 1Sm 25:16), is hij daarmee bezig geweest, drie jaar lang. Telkens zijn daarbij tranen tevoorschijn gekomen, zo bewogen is hij over het lot van zijn geliefde Efeziërs. Zijn boodschap is met tranen doorweekt. Zulke woorden moeten wel doel treffen in harten waarin ware zorg voor de gemeente aanwezig is.God en het Woord van Zijn genade
Paulus heeft gesproken over zijn dienst, zowel wat betreft zijn gezindheid en gedrag als wat betreft de inhoud ervan. Hij heeft hen ook gewezen op hun verantwoordelijkheid met het oog op de aanstaande ontwikkelingen. Nu draagt hij hen op aan God en aan Zijn genade zoals die in Zijn Woord tot uiting komt. Paulus en de andere apostelen hebben hun gezag niet in menselijke handen gelegd. Er is geen enkele sprake van apostolische opvolging. Wat blijft als de apostelen verdwijnen, is God en het Woord van Zijn genade. Het Woord is altijd gebleven. Uit die bron kan de gelovige in alle tijden de kracht putten om Gods gedachten te leren kennen over de Heer Jezus en om te leven tot Zijn eer. Maar ook de aanvallen zijn gebleven die erop zijn gericht dat het volk van God er niet zijn kracht uit zal putten. Er wordt getracht nieuwe openbaringen aan het Woord toe te voegen, zowel in de vorm van tradities als in de vorm van mensen die zeggen dat God hun bepaalde dingen heeft laten zien. In de geschiedenis van de kerk hebben tradities al vroeg de uitleg bepaald. Vandaag wordt het gezag van het Woord aangetast en bekritiseerd. Al die aanvallen kunnen we alleen afslaan als we het Woord zijn volle gezag over ons leven geven en ons bewust zijn dat de genade van God ons daarin wil helpen. Dan biedt het Woord niet alleen bescherming, maar bouwt het op en sticht en vertroost en bemoedigt het ons en voert het ons het erfdeel binnen. We hebben al deel aan het erfdeel van de heiligen in het licht (Ko 1:12) en we krijgen er nog daadwerkelijk deel aan als wij met Christus zullen regeren (Ef 1:10-14). “Onder alle geheiligden” wil zeggen te midden van alle geheiligden, samen met hen. De geheiligden zijn een groep mensen die door God apart gesteld is om samen dit erfdeel te bezitten. Tot de geheiligden te mogen behoren is een groot voorrecht en uitsluitend te danken aan God en het Woord van Zijn genade.Paulus wijst nog eens op zijn voorbeeld
Paulus heeft niet alleen zijn leer bij hen achtergelaten, maar ook zijn voorbeeld. Leer en praktijk horen bij elkaar. Doorgeven van de leer moet gepaard gaan met het geven van het goede voorbeeld. Bij sommige christelijke leiders is geld de drijfveer van hun werk. Zij zien de godsdienst als een bron van inkomsten (1Tm 6:5). Zo was dat bij Paulus niet. Hij wilde helemaal onafhankelijk van hen zijn. Hij voelde zich ook niet te goed om gewoon met zijn handen te werken. Hij liet de oudsten zijn doorgroefde, eeltige handen zien. Daarmee had hij niet alleen voor zichzelf gewerkt, maar ook voor hen die bij hem waren. Wat heeft deze man een tomeloze inzet getoond en dat allemaal ten behoeve van anderen. Daarbij heeft hij zich vooral het lot van de armen aangetrokken. We moeten niet profiteren van de zwakken, maar juist ons voor hen inzetten. Hoe gemakkelijk willen we ons alleen voor mensen inzetten waaraan we zelf plezier beleven of vanwege het voordeel dat het ons oplevert. Dan lijken we niet op de Heer Jezus. Dat wilde Paulus nu juist wel en dat houdt hij de oudsten en ons voor. Om het belang om zo te arbeiden te onderstrepen citeert Paulus een woord dat de Heer Jezus heeft gesproken. Als we de evangeliën lezen, zullen we die uitspraak niet tegenkomen. Maar laat deze uitspraak niet de hele teneur van het leven van de Heer zien en komt die niet overeen met het onderwijs dat Hij over ‘geven’ heeft gegeven (Lk 14:14)?
Copyright information for
DutKingComments