‏ Acts 20:32-35

God en het Woord van Zijn genade

Paulus heeft gesproken over zijn dienst, zowel wat betreft zijn gezindheid en gedrag als wat betreft de inhoud ervan. Hij heeft hen ook gewezen op hun verantwoordelijkheid met het oog op de aanstaande ontwikkelingen. Nu draagt hij hen op aan God en aan Zijn genade zoals die in Zijn Woord tot uiting komt. Paulus en de andere apostelen hebben hun gezag niet in menselijke handen gelegd. Er is geen enkele sprake van apostolische opvolging. Wat blijft als de apostelen verdwijnen, is God en het Woord van Zijn genade.

Het Woord is altijd gebleven. Uit die bron kan de gelovige in alle tijden de kracht putten om Gods gedachten te leren kennen over de Heer Jezus en om te leven tot Zijn eer. Maar ook de aanvallen zijn gebleven die erop zijn gericht dat het volk van God er niet zijn kracht uit zal putten. Er wordt getracht nieuwe openbaringen aan het Woord toe te voegen, zowel in de vorm van tradities als in de vorm van mensen die zeggen dat God hun bepaalde dingen heeft laten zien. In de geschiedenis van de kerk hebben tradities al vroeg de uitleg bepaald. Vandaag wordt het gezag van het Woord aangetast en bekritiseerd.

Al die aanvallen kunnen we alleen afslaan als we het Woord zijn volle gezag over ons leven geven en ons bewust zijn dat de genade van God ons daarin wil helpen. Dan biedt het Woord niet alleen bescherming, maar bouwt het op en sticht en vertroost en bemoedigt het ons en voert het ons het erfdeel binnen. We hebben al deel aan het erfdeel van de heiligen in het licht (Ko 1:12) en we krijgen er nog daadwerkelijk deel aan als wij met Christus zullen regeren (Ef 1:10-14).

“Onder alle geheiligden” wil zeggen te midden van alle geheiligden, samen met hen. De geheiligden zijn een groep mensen die door God apart gesteld is om samen dit erfdeel te bezitten. Tot de geheiligden te mogen behoren is een groot voorrecht en uitsluitend te danken aan God en het Woord van Zijn genade.

Paulus wijst nog eens op zijn voorbeeld

Paulus heeft niet alleen zijn leer bij hen achtergelaten, maar ook zijn voorbeeld. Leer en praktijk horen bij elkaar. Doorgeven van de leer moet gepaard gaan met het geven van het goede voorbeeld. Bij sommige christelijke leiders is geld de drijfveer van hun werk. Zij zien de godsdienst als een bron van inkomsten (1Tm 6:5). Zo was dat bij Paulus niet. Hij wilde helemaal onafhankelijk van hen zijn. Hij voelde zich ook niet te goed om gewoon met zijn handen te werken. Hij liet de oudsten zijn doorgroefde, eeltige handen zien. Daarmee had hij niet alleen voor zichzelf gewerkt, maar ook voor hen die bij hem waren.

Wat heeft deze man een tomeloze inzet getoond en dat allemaal ten behoeve van anderen. Daarbij heeft hij zich vooral het lot van de armen aangetrokken. We moeten niet profiteren van de zwakken, maar juist ons voor hen inzetten. Hoe gemakkelijk willen we ons alleen voor mensen inzetten waaraan we zelf plezier beleven of vanwege het voordeel dat het ons oplevert. Dan lijken we niet op de Heer Jezus. Dat wilde Paulus nu juist wel en dat houdt hij de oudsten en ons voor.

Om het belang om zo te arbeiden te onderstrepen citeert Paulus een woord dat de Heer Jezus heeft gesproken. Als we de evangeliën lezen, zullen we die uitspraak niet tegenkomen. Maar laat deze uitspraak niet de hele teneur van het leven van de Heer zien en komt die niet overeen met het onderwijs dat Hij over ‘geven’ heeft gegeven (Lk 14:14)?

Copyright information for DutKingComments