‏ Daniel 4:20-28

De uitleg van de droom

In zijn uitleg van de droom begint Daniël met een bijna woordelijke herhaling van het eerste deel van de droom. Hierdoor laat hij Nebukadnezar merken dat hij de droom goed heeft gehoord en begrepen. Door de droom nog eens te herhalen zal de koning nog sterker de toepassing ervan ondergaan. Direct na zijn herhaling van dit deel van de droom zegt Daniël van de boom: “Dat bent u, o koning.”

Zo heeft hij het Daniël bij de uitleg van de eerste droom ook horen zeggen: “U bent dat gouden hoofd” (Dn 2:38). Dat zal hem hebben gevleid. Ook de toepassing van de boom op hem zou hij met genoegen hebben gehoord als er niet meer zou volgen. Zijn grootheid is overweldigend, zowel in de hoogte – die “reikte tot aan de hemel” – als in de breedte – “hij was te zien over heel de aarde”.

Dan herhaalt Daniël het gedeelte van de droom dat over de wachter gaat en wat deze heeft gezegd. Hij doet dat in wat sterkere bewoordingen dan in de weergave van Nebukadnezar. Zo spreekt Daniël over “vernietig hem”. In wat de wachter zegt, zien we wat de hemel denkt over deze geweldige boom, over deze geweldige Nebukadnezar, die van zichzelf onder de indruk is en van wie mensen onder de indruk zijn.

De hemel zegt: “Wat hoog is bij mensen, is een gruwel voor God” (Lk 16:15). Daarom klinkt de stem uit de hemel: ‘Omhouwen die zaak, en van alle uiterlijke schijn mag niets overblijven.’ Van de boom moet echter de stam blijven staan. Er wordt geen definitief einde aan het leven van Nebukadnezar gemaakt. Dat wordt aangegeven door het woord “totdat”. Het betreft een tijdelijke vernedering en wel voor de duur van zeven tijden.

Na de herhaling van het tweede deel van de droom legt Daniël uit wat de betekenis is. Hij leidt de uitleg in met de ernstige verzekering dat wat Nebukadnezar volgens de uitleg overkomt, “een besluit van de Allerhoogste is”. Hiermee plaatst hij de koning, die hij met gepaste eerbied aanspreekt met “mijn heer de koning”, in de tegenwoordigheid van God als de Allerhoogste. Het gaat erom dat Nebukadnezar wordt overtuigd van Zijn bestaan en Zijn soevereiniteit. Wat hem zal overkomen, is een besluit van de Allerhoogste en daarom niet door een mens aan te passen of te negeren.

De inhoud van het besluit is dat Nebukadnezar uit het woongebied van de mensen zal worden verstoten en te midden van de dieren zal verblijven. Zijn plaats tussen de mensen zal hij kwijtraken en hij zal zich begeven in het gezelschap van de dieren en zich gedragen als een van hen. Zijn woning, zijn voedsel, zijn kleding, zijn waardigheid, alles wat zijn grootheid als mens uitmaakt, verliest hij. In plaats daarvan zal hij in het open veld zijn, zonder bedekking, en zal hij gras eten als een rund. Hij zal zijn dorst niet meer lessen met uitgelezen wijnen, maar genoegen moeten nemen met de dauw van de hemel.

De vernedering is voltooid en eindigt als hij “erkent dat de Allerhoogste Heerser is over het koningschap van de mensen en dat geeft aan wie Hij wil”. Voordat hij zover is, zullen er zeven tijden zijn voorbijgegaan, een volkomen periode. Dat er een einde aan die periode van vernedering komt, ligt opgesloten in de woorden “dat men de stam [met] de wortels van de boom moest laten [staan]”, woorden die Nebukadnezar ook heeft gehoord. Daniël voegt eraan toe dat na zijn erkenning “dat [de God] van de hemel de Heerser is”, zijn koningschap bestendig zal zijn.

Voor ieder mens geldt dat er pas een verbinding met God kan komen, wanneer hij erkent dat God de Allerhoogste Heerser is over alles. God is soeverein. Het erkennen daarvan geeft rust aan het gemoed. Dat moeten wij ook als gelovigen regelmatig leren in ons leven, waarin zoveel dingen kunnen gebeuren waaruit blijkt dat we dit vergeten zijn.

Raad van Daniël

Als Daniël de droom heeft uitgelegd, voegt hij er nog een persoonlijk woord aan toe. Hij geeft Nebukadnezar ongevraagd, maar uit pure bewogenheid, de raad om met zijn zonden te breken. De heerschappij van Nebukadnezar die door allen die zich aan hem onderwerpen als een weldaad wordt ervaren, betekent niet dat hij geen zondaar is en geen ongerechtigheden doet. Zijn heerschappij is geen rechtvaardige heerschappij. Hij leeft voor zichzelf. Daniël wijst hem erop dat hij de ellendigen geen genade bewijst. Wil hij verlenging van zijn voorspoed, dan moet hij daar verandering in aanbrengen. Dat kan alleen als hij zich bekeert en met zijn hart God als de Heerser over alles erkent.

Wat Daniël zegt, betekent niet dat Nebukadnezar door nu rechtvaardig te gaan handelen en genade te gaan bewijzen, zijn zonden ongedaan kan maken. Het is niet mogelijk op grond van goede werken van zonden gereinigd te worden. Een mens raakt zijn zonden alleen kwijt door ze te belijden en te geloven in het verzoenend sterven van Christus. In de tijd dat de Heer Jezus nog niet is gekomen, kan God zonden vergeven met het oog op het offer dat Christus zal brengen (Rm 3:23-26). Voor de mens is er voor en na het kruis niets veranderd. God vergeeft zonden alleen op grond van belijdenis (1Jh 1:9), waarbij de grondslag voor de vergeving het offer van Christus is (Hb 9:22b).

Vervulling van de droom

Het besluit staat vast, zo heeft Nebukadnezar te horen gekregen. Maar hij heeft ook de raad van Daniël te horen gekregen. Als het besluit van God vaststaat dat een zondaar naar de hel gaat, maar de zondaar laat zich waarschuwen, dan komt er een keer in zijn lot. Zo had ook het voorzegde niet over Nebukadnezar hoeven te komen als hij zich had laten waarschuwen. Hij heeft de waarschuwing echter niet ter harte genomen. Na verloop van tijd, dat wil zeggen na een jaar, wordt openbaar wat er in het hart van Nebukadnezar is en gebeurt er wat hem is aangezegd in zijn droom die hem is uitgelegd door Daniël.

Hij wandelt in grote zelfvoldaanheid op het dak van zijn paleis en kijkt naar Babel. Zijn hart zwelt op van trots. Hij geeft uiting aan zijn trots door het woord te nemen en zichzelf te eren. Alles wat hij ziet, is aan hem te danken, hij heeft het eigenmachtig, in eigen kracht gedaan en hem komt daarvoor alle eer toe.

Er is bij hem geen enkele gedachte aan God, hij negeert God eenvoudig, noemt Hem niet, rekent niet met Hem. Hij erkent niet dat hij zijn macht aan God te danken heeft. Al zijn bouwwerken verkondigen zijn heerlijkheid. Hij ziet zijn eigen naam op alles wat Babel is. Hier zien we een staaltje van hoogmoed. De hoogmoed is de zonde van de duivel (1Tm 3:6). Het is de eerste zonde in de schepping.

Heel wat mensen hebben een eigen koninkrijkje, bijvoorbeeld in een bedrijf met verschillende afdelingen waar iedere chef zijn afdeling bestuurt als een eigen koninkrijk. Het kan ook opgaan voor een vader die zijn gezin als een eigen koninkrijk beziet en alles wat er aan fraais wordt gevonden aan zijn eigen verdienste toeschrijft. Misschien hebben we zelf wel iets waarvan we vinden dat we daarin net wat beter zijn dan een ander. Als we ons daarop beroemen, is dat hoogmoed.

We moeten leren dat het woord waar is: “Wat hebt u, dat u niet hebt ontvangen? En als u het dan hebt ontvangen, waarom beroemt u zich, alsof u het niet had ontvangen?” (1Ko 4:7). De Heer Jezus is onder Zijn discipelen als Eén Die dient. Hij heeft nooit ergens over opgeschept. Integendeel, Hij heeft Zichzelf vernederd. Nebukadnezar ervaart de waarheid van het woord: “God weerstaat hoogmoedigen” (Jk 4:6). Dat zullen wij ook ervaren als we hoogmoedig zijn.

De koning is nog niet uitgesproken, de klank van de woorden is nog niet weggestorven, of er klinkt een andere stem, een stem uit de hemel. Die stem laat een proclamatie horen: “Het koningschap is van u weggegaan!” Vanaf het ogenblik dat hij zich beroemt op zijn prestaties, is hij zijn koningschap kwijt. Een gelovige die zich op eigen werken beroemt, verliest ook zijn koninklijke waardigheid en krijgt de hemel tegen zich. Wat een contrast met de Heer Jezus. Boven Hem klinkt uit de hemel de stem van “God [de] Vader” Die van Hem getuigt: “Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden” (2Pt 1:17).

Alles wat over Nebukadnezar is gezegd, komt over hem. Hij wordt op hetzelfde ogenblik van zijn verstand beroofd. Hij is plotseling krankzinnig en wordt in zijn gedrag gelijk “aan de dieren, [die] vergaan” (Ps 49:21). Zoals is aangekondigd, wordt hij door de mensen verstoten en neemt als een rund zijn plaats in tussen de runderen. Daar staat hij in het open veld en eet gras. Zo gaan zeven tijden over hem heen.

Aan de beschrijving van de droom door Nebukadnezar en de herhaling daarvan door Daniël wordt nu nog toegevoegd dat zijn haar en zijn nagels al die tijd doorgroeien. Van enige lichamelijke verzorging is geen sprake. Het beeld van de eens zo machtige heerser vervaagt steeds meer.

Zo nietig is zelfs de machtigste man op aarde als hij zich verheft tegen God door zichzelf op de plaats van God te stellen. Een dier heeft geen bewustzijn van zijn Schepper. Als een mens de verbinding met God opzegt, wordt hij gelijk aan een dier. Dit is de situatie van ieder mens die niet God, maar slechts zichzelf voor ogen heeft.

Copyright information for DutKingComments