Deuteronomy 29:4

Een nieuw verbond

Hier begint weer een nieuw gedeelte in het boek. Het gaat om de grote vraag hoe het volk gesteld kan worden in de zegeningen van het land en hoe ze ook in het bezit daarvan kunnen blijven. In Deuteronomium 28 heeft Gods Geest hun in waarschuwingen laten zien hoe zij zich in het land zullen gedragen en wat de gevolgen daarvan zullen zijn. In Deuteronomium 29 doet Hij dat opnieuw, maar nu in verbinding met een nieuw verbond. Hier horen we over het verdrijven uit het land als mogelijkheid, terwijl er geleidelijk wordt overgegaan naar een zekerheid. Het is geen waarschuwing meer, maar een profetie. Gelukkig komt er ook een vaste voorzegging van herstel in een latere tijd.

Voor ons gaat het om het verblijven en blijven in de hemelse zegeningen en bij de plaats waar de Heer Zijn Naam doet wonen. Op die plaats mogen we de zegen van het land brengen, zoals in beeld in Deuteronomium 26 getoond wordt.

Er is hier sprake van een nieuw verbond, naast dat van de Horeb. Het is geen vernieuwing van een oud verbond. Het is een extra verbond, dat het verbond van de Horeb niet tenietdoet. Er is ook nog het verbond met de vaderen Abraham, Izak en Jakob (Dt 29:13). Dit laatste is een onvoorwaardelijk verbond. Dat verbond gaat helemaal alleen van God uit. De mens kan daarbij geen voorwaarden stellen waaraan God Zich zou moeten onderwerpen.

Bij elk verbond gaan de voorwaarden van God uit, waarbij Hij soms ook bepaalde verplichtingen op Zich neemt. Een verbond veronderstelt twee partijen. Zo kennen we het verbond met de hele schepping tussen God en Noach en zijn nakomelingen. Er is ook het verbond met de vaderen, waarbij alleen voorwaarden aan de zijde van God zijn, om Abraham een talrijk nageslacht te geven en hem te brengen in het land van de beloften.

Dan horen we hier van het verbond dat God bij de Horeb met Israël heeft gesloten. Dit verbond gaat in wezen uit van de genade, wat God gedaan heeft. Maar op het ogenblik dat het volk het leven uit genade afwijst en zich onder verantwoordelijkheid plaatst, geeft God hun de wet. Daarmee wordt dat verbond wat hen betreft afhankelijk gemaakt van hun gehoorzaamheid. Het verbond bij de Horeb is een verbond dat gegrond is op de wet. Op grond daarvan kan het volk onmogelijk het land ingaan.

Hier hebben we nog een ander verbond en wel het verbond in het land van Moab. Dit verbond brengt de beginselen van de genade van God die in het verbond met de vaderen tot uiting komt, en de wet van God als de grondslag van het verbond bij de Horeb, bij elkaar. Voor de vestiging van dit verbond plaatst Mozes weer de handelingen van God in het verleden voor de ogen van het volk. Dat betreft vooral hen die onder de twintig jaar zijn bij het begin van de woestijnreis. Zij hebben alles gezien. Het volk tot wie hij zich richt, is het nieuwe geslacht dat het land zal binnentrekken. Allen die boven de twintig jaar zijn bij het begin van de woestijnreis, zijn in de woestijn omgekomen.

Hebben zij die tot dit nieuwe geslacht behoren, wel oog voor wat de HEERE heeft gedaan? Begrijpen zij hoezeer zij afhankelijk zijn van Zijn genade? Hebben zij geluisterd naar Zijn stem? De HEERE heeft hun geen hart, oog of oor gegeven, waardoor zij zich tot Hem keren. Dat is niet gebeurd omdat de HEERE dat niet wilde, maar omdat zij het niet wilden. Ze hebben Hem er niet om gevraagd! Door hun weerspannigheid en slechtheid hebben ze Hem verhinderd hun te geven wat Hij heeft willen geven.

Ze hebben al Gods daden gezien, maar de taal die God daardoor heeft gesproken, hebben ze niet begrepen. Zo gaat het met de tekenen en wonderen die de Heer Jezus met name in het evangelie naar Johannes doet. Als het volk door de tekenen geen oog krijgt voor de heerlijkheid van de Heer Jezus, is het geestelijk blind. Dat geldt ook voor ons.

Mozes herinnert hen er ook aan dat de kleding en schoenen die ze dragen sinds hun uittocht uit Egypte, niet zijn versleten. Na veertig jaar verblijf in de woestijn hebben hun kleding en schoenen niets geleden (Dt 29:5; Dt 8:4). Ze zijn niet in leven gebleven door eigen voorzieningen en eigenhandig aangelegde voorraden brood en wijn. God heeft er al die tijd op wonderlijke wijze voor gezorgd dat ze geen gebrek hebben gehad aan eten en drinken. Het dagelijkse manna en het water uit de rots zijn een getuigenis van Zijn liefde en ontferming, van Zijn betrokkenheid bij hun wel en wee. Daardoor kunnen ze weten dat Hij de HEERE, hun God is.

Ook met betrekking tot hun vijanden heeft God voor hen gezorgd. Ze hebben al land in bezit kunnen nemen. Zo is duidelijk dat God in alle omstandigheden aan hen heeft gedacht en hen heeft voorzien van al het nodige. Van Zijn kant heeft het aan niets ontbroken. Dat is toch wel een enorme aansporing om naar Hem te luisteren, waarbij weer nieuwe voorspoed in het vooruitzicht wordt gesteld. God wil niet anders dan zegenen, als het volk maar luistert.

Dit verbond van de HEERE wordt gesloten met alle geledingen van het volk. Zelfs allen die nog in de lendenen van het volk zitten, “hem die hier heden niet bij ons is”, de komende generaties, worden erin betrokken. Zij allen vormen Zijn volk. Hij verklaart plechtig dat zij dit zijn. Hij wil aan hen Zijn toezeggingen, die Hij aan hun vaderen heeft gedaan, waarmaken. Maar willen zij de zegeningen van Zijn toezeggingen en de verklaring dat zij Zijn volk zijn, ervaren, dan zullen ze zich moeten houden aan de woorden van het verbond.

Copyright information for DutKingComments