Ezekiel 1:1-3

Inleiding

Vooraf

Het boek Ezechiël geeft op een bijzondere wijze inzicht in de heerlijkheid van de God van Israël. Ezechiël valt enkele keren op zijn gezicht neer bij het zien van die heerlijkheid. Dat is ook de uitwerking bij ons als wij ons voor de werking van Gods Geest openstellen bij het lezen van dit boek.

Het meeste van wat in dit commentaar aan de lezer wordt doorgegeven, is niet origineel. Ik heb dankbaar gebruikgemaakt van wat anderen van de Heer aan inzicht over dit boek hebben gekregen. Ik heb er wel veel nieuwe ontdekkingen door gedaan en ben daardoor nog weer meer onder de indruk gekomen van de rijkdom van Gods Woord.

Het is niet mijn gewoonte om namen te noemen van hen van wie ik hulp heb gekregen – in schriftelijke of gesproken vorm – bij het schrijven van een commentaar. Het lijkt mij duidelijk dat het niet mogelijk is een commentaar te schrijven zonder hulp van anderen. Het kan iemand zijn die een omvangrijke uitleg heeft gegeven, het kan ook iemand zijn die op een detail heeft gewezen met een suggestie voor een verbetering. De Heer heeft het in de gemeente ook zo geregeld, dat de leden elkaar nodig hebben om de taak te verrichten die Hij ieder lid heeft gegeven. Hij zal ieder die een bijdrage aan dit boek heeft gegeven, daarvoor belonen. Ik zou zomaar iemand kunnen vergeten, maar Hij vergeet er niet één.

Ik maak nu een uitzondering door te vermelden dat ik de Heer bijzonder dankbaar ben voor de hulp die ik van Ron Vellekoop uit Zoetermeer heb gekregen. Het gaat dan ook om een speciale vorm van samenwerking aan dit boek. We hebben intensief over vele passages overlegd. Zijn bijdrage heeft talloze inhoudelijke en taalkundige verbeteringen tot gevolg gehad.

In een van zijn eerste bijdragen schrijft hij: ‘Ik ben diep onder de indruk dat Hij Die op de troon is gezeten, is afgedaald en in een kribbe heeft gelegen. Gewikkeld in doeken. En dat Hij Die daar heeft gelegen, nu weer op die troon zit. Met de tekenen van lijden en sterven in Zijn handen en in Zijn zijde …’

Dit is wat wij de lezer toewensen: diep onder de indruk raken van de Heer Jezus Christus. Om Zijn heerlijkheid gaat het in het boek Ezechiël en in dit commentaar.

Ger de Koning

Middelburg, september 2019, nieuwe versie november 2021

De persoon Ezechiël

Van de persoonlijke geschiedenis van Ezechiël weten we alleen wat we van hem in dit boek vinden en wat bekend is van de tijd waarin hij leeft. Enkele dingen die we van hem weten:

1. Zijn naam (Ez 1:3). Ezechiël betekent ‘God maakt sterk’ of ‘Moge God sterken’.

2. Tijdens de regering van Jojachin is hij in ballingschap gevoerd (Ez 1:2).

3. In het vijfde jaar van zijn ballingschap wordt hij tot profeet geroepen (Ezechiël 1-3).

4. De naam van zijn vader en dat hij tot een priestergeslacht behoort (Ez 1:3).

5. Hij is getrouwd geweest. Zijn vrouw sterft tijdens zijn dienst, maar God verbiedt hem nadrukkelijk om te rouwen (Ez 24:16-18).

6. Hij heeft een eigen woning (Ez 8:1). De oudsten van Israël komen daar naar hem toe om hem om raad te vragen.

7. Hij is ongeveer tweeëntwintig jaar als profeet actief geweest, van 593 v.Chr. tot 571 v.Chr. (Ez 1:2; Ez 29:17).

Chronologie

De tijd waarin hij leeft, kunnen we het best begrijpen aan de hand van een overzicht van enkele voorafgaande gebeurtenissen:

1. De tien stammen zijn in 722 v.Chr. door de Assyriërs weggevoerd.

2. De twee stammen maken daarna nog een opwekking mee. Die opwekking vindt onder Josia plaats, die van 640/639-609 v.Chr. koning over Juda is (2 Koningen 21:24-23:30; 2 Kronieken 33:25-35:27). De opwekking is echter maar tijdelijk.

3. Josia wordt opgevolgd door zijn zoon Joahaz, ook Sallum genoemd. Joahaz is in het jaar 609 v.Chr. slechts drie maanden koning (2Kn 23:30-34; 2Kr 36:1-4).

4. Daarna komt een andere zoon van Josia op de troon, Jojakim, ook Eljakim genoemd (2Kn 23:34-37; 2Kn 24:1-6; 2Kr 36:4-8; Jr 36:1-31; Dn 1:1-2). Hij regeert van 609-598 v.Chr. Tijdens zijn regering komt, rond het jaar 606 v.Chr., Nebukadrezar* naar Jeruzalem en belegert de stad. De HEERE geeft Jojakim en een deel van het tempelgerei in zijn hand (2Kr 36:5-8; Dn 1:1-2). Ook wordt op bevel van Nebukadrezar een aantal “Israëlieten … uit het koninklijk geslacht en uit de edelen” naar Babel getransporteerd, onder wie “uit de Judeeërs: Daniël, Hananja, Misaël en Azarja” (Dn 1:1-6). Hiermee gaat de profetie van Jesaja aan Hizkia (Js 39:5-7; 2Kn 20:16-18) in vervulling.

*Ezechiël noemt viermaal de naam van Nebukadrezar (Ez 26:7; Ez 29:18; Ez 29:19; Ez 30:10). Zijn spelling van de naam is niet ‘Nebukadnezar’, maar steeds ‘Nebukadrezar’ en zo is zijn naam ook vertaald in de HSV. Daarom wordt in het commentaar ook steeds de naam Nebukadrezar gebruikt.

5. Na de dood van Jojakim komt zijn zoon Jojachin (Jechonia, Chonia), een kleinzoon van Josia, op de troon (2Kn 24:6-17; 2Kr 36:9-10). Hij regeert van 7 december 598 tot 16 maart 597 v.Chr., dat is slechts drie maanden en tien dagen (2Kr 36:9). Wanneer Nebukadrezar in 597 v.Chr. Jeruzalem belegert, gaan Jojachin en een aantal anderen de stad uit naar de koning van Babel, die hen gevangenneemt (2Kn 24:12). Van deze wegvoering maakt Ezechiël deel uit (2Kn 24:14-16; Ez 1:1-2). Hij is dan vijfentwintig jaar oud.

6. Zedekia (Mattanja), een derde zoon van Josia, is de laatste koning van Juda (2Kn 24:17-20; 2Kn 25:1-7; 2Kr 36:10-14). Hij wordt door Nebukadrezar aangesteld in de plaats van Jojachin en regeert van 597-587 v.Chr.

7. Zedekia komt aan zijn einde omdat hij in opstand komt tegen Nebukadrezar. Nebukadrezar trekt tegen Jeruzalem op en verwoest de stad in 586 v.Chr. en voert nog een aantal van de bevolking in ballingschap (2Kn 25:11).

8. Ten slotte vindt rond 582 v.Chr. de laatste wegvoering plaats (Jr 52:30).

Een profeet van God in Babel

Zoals we hierboven in de chronologie zien, is Zedekia, een van de zonen van Josia, door Nebukadrezar als opvolger van Jojachin aangesteld om Juda te besturen. Tijdens zijn bestuur gebruikt God de profeet Jeremia om in Juda en Jeruzalem het volk en zijn slechte koning Zedekia te waarschuwen. We vinden zijn dienst terug in het naar zijn naam genoemde bijbelboek Jeremia. Ook onder de ballingen gebruikt God een profeet om het deel van Zijn volk dat in ballingschap is te waarschuwen: Ezechiël. Zowel Jeremia als Ezechiël profeteert over de val, maar ook over het herstel van Jeruzalem en Juda. Dat herstel wordt verbonden met de komst, dat wil zeggen de wederkomst, van de Messias.

Profeten zijn altijd in het beloofde land tot profeet geroepen. Ezechiël vormt daarop, samen met Daniël, een uitzondering. We zien in het boek Ezechiël – en ook in het boek Daniël – dat Gods tegenwoordigheid niet begrensd is tot de tempel in Jeruzalem, wat veel Joden hebben gemeend. Zelfs David heeft in die richting gedacht. We beluisteren dat in wat hij zegt als hij door Saul verjaagd is uit zijn erfdeel (1Sm 26:19-20). Zo voelen ook de Joden die in ballingschap zijn gevoerd zich ver van de tegenwoordigheid van God. Het is voorstelbaar dat het voor Ezechiël een grote verrassing is wanneer de heerlijkheid van God hem in Babel verschijnt. Hij zal daar niet op hebben gerekend.

Waarom roept God een profeet in Babel? Hij heeft Zijn handen toch van de ballingen in Babel afgetrokken? Zij die in Juda zijn, zijn toch op de plaats waar God is? Het is echter precies andersom. Dat heeft Jeremia keer op keer in zijn prediking naar voren gebracht. Zij die naar Babel zijn weggevoerd, zijn op de plaats waar God hen wil hebben. Wie in Jeruzalem en Juda zijn achtergebleven, bekeren zich niet en blijven ongehoorzaam aan God. Daarom zullen ook zij uit het land verwijderd worden.

In Babel wordt het volk als geheel niet gehoorzaam aan God. Er zijn zelfs valse profeten werkzaam die de zaken omkeren door het volk voor te houden dat ze snel weer in Juda terug zullen zijn. In Zijn genade geeft God daarom in Babel ook een man die Zijn volk vertelt dat ze geen valse hoop moeten koesteren op een spoedig herstel, maar dat erkenning van Gods oordeel de weg van zegen opent.

De heerlijkheid van Christus

We zien in dit boek van begin tot eind de soevereiniteit en heerlijkheid van de HEERE. Hij is soeverein in alles wat Israël en alle volken betreft, hoe het er soms ook op lijkt dat de mens Hem dwarsboomt. Ezechiël is een boek waarin vaak over de Geest van God wordt gesproken. De Geest wordt negentien keer genoemd, soms twee keer in één vers (Ez 1:12; 20; 21; Ez 2:2; Ez 3:12; 14; 24; Ez 8:3; Ez 10:17; Ez 11:1; 5; 24; Ez 36:27; Ez 37:1; 14; Ez 39:29; Ez 43:5). Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat in dit boek wel tot achttien keer de “heerlijkheid” van de HEERE of van God wordt genoemd, soms ook twee keer in één vers (Ez 1:28; Ez 3:12; 23; Ez 8:4; Ez 9:3; Ez 10:4; 18; 19; Ez 11:22; 23; Ez 39:21; Ez 43:2; 4; 5; Ez 44:4). De Heilige Geest doet immers niets anders dan de Heer Jezus verheerlijken (Jh 16:14), want om Hem gaat het als er over de heerlijkheid van de HEERE of van God wordt gesproken (Jh 12:37-42).

Ezechiël is in veel opzichten een type van Christus. Dat zien we vooral in de vaak voorkomende uitdrukking “mensenkind” die de HEERE gebruikt om hem aan te spreken. Deze uitdrukking komt ruim honderd keer in het Oude Testament voor, waarvan meer dan negentig keer in dit boek. ‘Mensenkind’ is de vertaling van het Hebreeuwse ben adam, dat ‘zoon [van] adam of mens’ of ‘mensenzoon’ betekent, wat een betere vertaling is dan ‘mensenkind’. De naam ‘mensenzoon’ is de naam die in de evangeliën en in het boek Openbaring voor de Heer Jezus wordt gebruikt. Hij is de ware Zoon des mensen. Het is de titel die zowel Zijn vernedering en verwerping als Zijn verhoging aanduidt (Mt 8:20; Lk 9:22; Op 14:14).

Indeling van het boek

Het boek kan als volgt worden ingedeeld:

A. Inleiding (Ezechiël 1-3)

1. Het visioen van de heerlijkheid van de HEERE (Ezechiël 1)

2. De roeping van Ezechiël (Ezechiël 2-3)

B. De val van Jeruzalem (Ezechiël 4-24)

1. Aankondiging van het oordeel over Jeruzalem en het land (Ezechiël 4-7)

2. De heerlijkheid van de HEERE verlaat Jeruzalem (Ezechiël 8-11)

3. De zonden van de leiders aan de kaak gesteld (Ezechiël 12-17)

4. Verdediging van Gods rechtvaardigheid (Ezechiël 18-21)

5. De schuld en het einde van Jeruzalem (Ezechiël 22-24)

C. Oordeel over de volken (Ezechiël 25-32)

1. Ammon (Ezechiël 25:1-7)

2. Moab (Ezechiël 25:8-11)

3. Edom (Ezechiël 25:12-14)

4. Filistea (Ezechiël 25:15-17)

5. Tyrus (Ezechiël 26:1-28:19)

6. Sidon (Ezechiël 28:20-26)

7. Egypte (Ezechiël 29-32)

D. De toekomstige heerlijkheid van Israël (Ezechiël 33-39)

1. De trouwe wachter en de trouwe Herder (Ezechiël 33-34)

2. Een vernieuwd land (Ezechiël 35-36)

3. Een vernieuwd volk (Ezechiël 37)

4. Verdelging van de laatste vijand (Ezechiël 38-39)

E. De heerlijkheid van de HEERE in de nieuwe tempel (Ezechiël 40-48)

1. De nieuwe tempel (Ezechiël 40:1-43:12)

2. De nieuwe priesterdienst (Ezechiël 43:13-47:12)

3. De nieuwe indeling van het land (Ezechiël 47:13-48:35)

De hemel wordt geopend

De woordvolgorde van Ez 1:1 is in de oorspronkelijke tekst iets anders dan hier in de Herziene Statenvertaling. Het boek begint in de oorspronkelijke tekst met “en het gebeurde”. Dat legt de nadruk op een activiteit, het handelen van God.

Voordat wordt gezegd wat er gebeurt, wat God doet, volgt eerst een tijdsaanduiding (Ez 1:1). [NB In het boek komen dertien nauwkeurige tijdsaanduidingen voor (Ez 1:1-3; Ez 8:1; Ez 20:1; Ez 24:1; Ez 26:1; Ez 29:1; Ez 29:17; Ez 30:20; Ez 31:1; Ez 32:1; Ez 32:17; Ez 33:21; Ez 40:1)]. Dat is de datering van de roeping van Ezechiël tot profeet. Het is een onbepaalde tijdsaanduiding: “In het dertigste jaar, in de vierde [maand], op de vijfde van de maand. Er staat bijvoorbeeld niet bij dat het gaat om het dertigste jaar van een koning. Deze tijdsaanduiding is op verschillende manieren verklaard. De eenvoudigste, meest voor de hand liggende verklaring is dat het bij “het dertigste jaar” om de leeftijd van Ezechiël gaat.

Deze verklaring wordt ondersteund door het feit dat dertig jaar een leeftijd is waarop iemand priesterdienst mag gaan uitoefenen (Nm 4:1-3; 23). Ezechiël behoort tot een priestergeslacht (Ez 1:3). Hij bevindt zich echter niet in Jeruzalem om daar in de tempel het bijzondere voorrecht van priesterdienst uit te oefenen, maar in ballingschap buiten het land.

Dat zal voor hem een bijzondere beproeving zijn geweest. Uit alles wat we van hem weten, zien we zijn innige omgang met God. Voor zo iemand leeft sterk de wens die de zonen van Korach uitspreken: “Want één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend [elders]; ik verkoos liever te staan op de drempel van het huis van mijn God dan lang te wonen in de tenten van de goddeloosheid” (Ps 84:11). God heeft echter andere plannen met hem: Hij roept hem tot profeet.

Dan worden we geïnformeerd over de plaats van handeling. De schrijver van het boek zegt dat hij “te midden van de ballingen aan de rivier de Kebar” is. Ez 1:3 verduidelijkt dat de rivier de Kebar “in het land van de Chaldeeën” is. Het gebruik van het woord “ik” maakt duidelijk dat de schrijver van het boek niemand anders is dan de profeet die de visioenen te zien krijgt: Ezechiël.

Ezechiël is daar, aan de rivier de Kebar, “te midden van de ballingen”. Hij is daar samen met andere ballingen. Hij mag dan priester zijn, zijn lot en zijn omstandigheden zijn daardoor niet anders. Hij deelt in de gevolgen van de totale ontrouw van het volk. God legt geen speciale bescherming rondom trouwe gelovigen als het gaat om tucht die Hij over het geheel brengt. Wat Hij wel in die omstandigheden doet, is de trouwe gelovigen steeds meer aan Zichzelf verbinden. Hij helpt hen om niet te bezwijken en gebruikt hen tot een getuigenis voor hun naasten, voor gelovigen én ongelovigen.

Op de vijfde dag van de vierde maand van het jaar waarin Ezechiël dertig is geworden – als de veronderstelling juist is dat het om zijn leeftijd gaat –, wordt in Babel voor hem “de hemel geopend” (vgl. Mt 3:16; Hd 7:56; Hd 10:11; Op 4:1; Op 19:11) en krijgt hij “visioenen van God” te zien. Zijn oog wordt geopend voor wat een natuurlijk mens niet kan zien. De onzichtbare wereld wordt zichtbaar voor hem, zodat hij kan zien wat daar gebeurt.

Het dertigste jaar komt overeen met “het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin” (Ez 1:2). Het is daarom ook het vijfde jaar van de ballingschap van Ezechiël. Jojachin is na een regering van slechts drie maanden en tien dagen door Nebukadrezar naar Babel gebracht (2Kr 36:9-10). Dat is de wegvoering die rond 597 v.Chr. heeft plaatsgevonden.

Als Ezechiël vijf jaar in ballingschap is, komt op de nog eens nauwkeurig gedateerde dag – “de vijfde van de maand” (Ez 1:1-2)“het woord van de HEERE uitdrukkelijk” tot hem (Ez 1:3). Terwijl hij visioenen van God te zien krijgt, spreekt de HEERE in duidelijke, niet mis te verstane taal tot hem. Wat hij te horen krijgt, onderstreept dat wat hij in de visioenen ziet, werkelijkheid is en geen inbeelding. Tevens wordt de bron van de dienst van Ezechiël ondubbelzinnig vastgesteld. Hij heeft geen enkele inbreng in zijn roeping. De visioenen komen van God, de Almachtige (Ez 1:1). Het woord komt “van de HEERE”, de naam van God in verbinding met de mens en in het bijzonder met Zijn volk.

Het woord komt “tot Ezechiël”. Hier noemt hij voor de eerste keer zijn naam, nadat hij in Ez 1:1 tweemaal over “ik” heeft gesproken. Verder wordt in dit boek zijn naam alleen nog in Ezechiël 24 genoemd (Ez 24:24). Ezechiël heeft – in overeenstemming met de betekenis van zijn naam – de kracht van God door de Geest op bijzondere wijze tijdens zijn dienst ervaren.

Ezechiël is “de zoon van Buzi, de priester”. Van Buzi (betekent ‘veracht’, ‘versmaad’) is niets bekend dan alleen wat hier van hem staat, dat is zijn naam en zijn dienst. Hier zien we dat Ezechiël tot een geslacht van priesters behoort, net als zijn tijdgenoot Jeremia (Jr 1:1). Daarin ligt ongetwijfeld de reden van het feit dat Jeruzalem en alles wat met de tempel en de offerdienst te doen heeft een centrale rol in zijn boek spelen. Hij is priester in hart en nieren.

Terwijl Ezechiël “in het land van de Chaldeeën bij de rivier Kebar” is, komt “de hand van de HEERE” op hem. Het land van de Chaldeeën is de landstreek rondom Babel. De Chaldeeën vormen de kern van het Babylonische rijk. In het vreemde land komt de hand van de HEERE op hem om hem in te leiden in Zijn gedachten. Hij wordt gegrepen door die hand en komt daardoor onder de macht en invloed van de Geest van God (Ez 3:14; 22; Ez 8:1; Ez 33:22; Ez 37:1; Ez 40:1). Zo wordt hij een instrument voor het meedelen van de waarheid van God en wordt hij ervoor bewaard zijn eigen gedachten mee te delen. De hand van de Heer kan ook ten oordeel op iemand zijn (Hd 13:11).

Het moet voor Ezechiël een grote bemoediging zijn geweest, nadat hij al zo’n lange tijd in Babel is, een blik in en een woord uit de hemel te krijgen. Hij zal dat ook nooit hebben verwacht, vertrouwd als hij is met de gedachte dat God in de tempel in Jeruzalem woont. Daar is hij ver van verwijderd. Maar God is niet gebonden aan plaats en tijd en maakt Zich bekend aan ieder van wie het hart naar Hem uitgaat. Hij geeft Ezechiël inzage in Zijn werk, dat doorgaat ondanks de ontrouw van Zijn volk. Hierdoor leert Ezechiël om boven de omstandigheden van het moment uit te stijgen en de dingen die op aarde gebeuren te bezien vanuit Gods perspectief.

De rest van het hoofdstuk is gewijd aan het visioen dat Ezechiël van de heerlijkheid van de HEERE ziet (Ez 1:28; vgl. Js 6:1-3). Naar dit visioen wordt ook in Ezechiël 10-11 verwezen (Ez 10:1-22; Ez 11:22-24). De profeet probeert dit visioen waarmee zijn dienst als profeet wordt ingewijd te beschrijven. De woorden die hij gebruikt om te beschrijven wat hij ziet, maken duidelijk dat een volledige beschrijving de mogelijkheden van de menselijke taal te boven gaat.

Copyright information for DutKingComments