‏ Genesis 15:6

Abram gelooft de HEERE

Abram gelooft dat de HEERE in staat is uit zijn al afgestorven lichaam en uit de onvruchtbare en nu ook afgestorven moederschoot van Sara leven te verwekken (Rm 4:19-20; Hb 11:11). Dat geloof wordt hem tot gerechtigheid gerekend. Deze waarheid, dat gerechtigheid voor God door geloof wordt verkregen, wordt driemaal in het Nieuwe Testament herhaald (Rm 4:3; Gl 3:6; Jk 2:23).

Abram wordt rechtvaardig verklaard. Zijn vertrouwen op God, dat is geloof, wordt door God beantwoord met het bewustzijn dat hij in Gods tegenwoordigheid mag en kan zijn. Het geloof van Abram spreekt recht van God, het doet recht aan Wie God is. Het gaat er niet zozeer om dat hij in God gelooft, dat hij gelooft dat Hij bestaat. Het gaat er veelmeer om dat hij God gelooft, dat hij gelooft in wat God zegt, dat Hij zal doen wat Hij zegt. Op grond daarvan spreekt God recht van Abram en overtuigt hem in zijn hart en geweten dat er niets in de weg is om bij God te zijn. Abram vertrouwt God op Zijn woord, terwijl de uiterlijke omstandigheden het tegendeel laten zien.

In Romeinen 4 wordt dit verder doorgetrokken naar allen die geloven: “Het is echter niet alleen ter wille van hem geschreven dat het hem werd toegerekend, maar ook ter wille van ons, wie het zal worden toegerekend, ons die geloven in Hem Die Jezus onze Heer uit [de] doden heeft opgewekt, Die overgegeven is om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging” (Rm 4:23-25). We lezen hier dat ieder die gelooft in God Die de Heer Jezus uit de doden heeft opgewekt, Die overgegeven is om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging, door God wordt gerechtvaardigd, dat is: rechtvaardig verklaard. Rechtvaardig verklaren wil zeggen dat er geen enkele aanklacht is, dat iemand volkomen vrij is en in overeenstemming met het recht in Gods tegenwoordigheid kan zijn, zonder enige angst voor veroordeling.

Copyright information for DutKingComments