John 17:13-19
De discipelen in de wereld
De Zoon gaat nu met name tot de Vader spreken over de discipelen in hun verbinding met de wereld. Hij komt bij de Vader en richt Zich tot Hem om met Hem te spreken over de Zijnen, om de verdere zorg van de discipelen aan Hem toe te vertrouwen. Hij doet dat in de wereld waarin ook Hij Zich nog steeds bevindt, zodat zij het kunnen horen. Zij bevinden zich ook in de wereld en zullen daar nog blijven als Hij van hen is heengegaan naar de Vader. Zij zijn niet meer van de wereld, zij behoren niet meer tot de wereld, maar moeten er nog wel doorheen. Nu horen ze de Zoon over hen spreken met kennis van de situatie waarin zij zich bevinden. Wat moet het hun hart hebben verblijd Hem zo tot de Vader over hen te horen spreken. Dit bewustzijn van de aandacht en liefde van de Vader die naar Hem uitgaat, heeft de Heer Jezus Zelf altijd met blijdschap vervuld in Zijn leven op aarde. Zijn blijdschap vindt Hij altijd in de omgang met Zijn Vader. Door Zijn gebed mogen de discipelen weten dat zij ook altijd omgang mogen hebben met de Vader, dat de Vader altijd volkomen aandacht voor hen heeft en omgang met hen wenst. De Zoon is hier geweest in de Naam van de Vader en heeft Zijn vreugde gevonden in het dienen van de belangen van de Vader. Zo zullen zij vanaf nu in Zijn Naam hier zijn en dezelfde vreugde in zich hebben als degenen die de Vader dienen door de Zoon voor te stellen. Om daartoe in staat te zijn heeft de Zoon hun het woord van de Vader gegeven. Het woord is hier weer de volle openbaring van de Vader die Hij heeft gebracht. De Heer zegt niet ‘woorden’, remata, dat betekent ‘uitspraken’, maar ‘woord’, logos, dat wil zeggen de uitdrukking van Zijn gedachten. Verder vraagt Hij of de Vader hen wil bewaren vanwege het innemen van Zijn plaats in de tegenwoordigheid van de wereld. Hij verbindt Zich met hen in de tegenwoordigheid van de Vader en dat is een grote zegen. Hij verbindt Zich niet minder met hen in de tegenwoordigheid van de wereld en ook dat is een grote zegen. Het is in beide gevallen Zijn plaats. Waar Hij is, zijn de Zijnen en waar de Zijnen zijn, daar is Hij. De Heer Jezus zegt dat zij niet van de wereld zijn. Daarmee bedoelt Hij niet dat ze er niet van zouden moeten zijn. Wat Hij bedoelt, is dat zij principieel niet tot de wereld behoren omdat ze verbonden zijn aan Hem. Dat moet wel tot gevolg hebben dat zij zich ook zo gedragen. Het is verschrikkelijk als zij, en ook wij, ook maar de indruk zouden geven toch van de wereld te zijn. Dat zou een loochening van de ware verhouding tot de Vader betekenen. De Heer vraagt niet dat de Vader hen uit de wereld wegneemt. Het wegnemen van de Zijnen gebeurt bij de opname van de gelovigen (1Th 4:16-17). Dan rukt Hij hen weg uit de wereld. Tot dat ogenblik moeten ze in de wereld blijven waarin duisternis, haat en dood heersen. Met het oog daarop vraagt Hij om bewaring. Er is geen sprake van dat zij zichzelf zouden moeten bewaren door uit de wereld weg te gaan, bijvoorbeeld door zich terug te trekken achter de dikke muren van een klooster. Het monnikendom en kloosterwezen is in strijd met wat de Heer Jezus hier zegt. De door God gewilde afzondering van de wereld wordt niet verwerkelijkt door zich te isoleren. Het kwaad zit in onszelf. De Zoon vraagt de Vader dat de boze die achter het boze systeem van de wereld zit, geen vat op hen zal krijgen (vgl. Mt 6:13). Hij herhaalt met nadruk hun vereenzelviging met Hem in hun gescheiden zijn van de wereld (Jh 17:14). Deze herhaling is nodig omdat we dit gescheiden zijn gemakkelijk vergeten. Alleen als het oog op Christus gericht blijft, zullen we ons gescheiden zijn van de wereld blijven zien. Christus is Zelf het absolute voorbeeld van de scheiding met de wereld. Hij is wel in de wereld gekomen, maar nooit heeft Hij er ook maar een ogenblik deel van uitgemaakt. Zijn plaats en houding ten opzichte van de wereld zijn bepalend voor die van de discipelen en ook voor die van ons.Heiliging
Dan vraagt de Zoon aan de Vader om hen te heiligen. Door heiliging worden wij in overeenstemming gebracht met de Heilige Vader. Heiliging is het apart stellen voor Hem. Zij zijn in aanraking gebracht met de waarheid van het woord van de Vader dat in de Zoon tot hen is gekomen. Zij hebben dat woord erkend en aanvaard. Daardoor zijn zij ingegaan in een andere wereld, de wereld van de Vader en de Zoon. De Zoon heeft het woord van de Vader gegeven dat ons invoert in Zijn liefde, in Zijn gedachten, in Zijn raadsbesluiten, in Zijn heerlijkheid. Door daarin te zijn, zijn we werkelijk afgezonderd (geheiligd). Dat bewerkt de waarheid. Ook hier gaat het weer veel verder dan de wet, die ook afzondert, maar dan nationaal en alleen voor Israël van de volken om hen heen. Dat we van de wereld afgezonderd zijn, betekent niet dat we niets met de wereld te maken hebben. We zijn niet in de wereld omdat we daar toevallig zijn, maar we zijn in de wereld met een doel. We zijn in de wereld gezonden, zoals de Zoon door de Vader in de wereld is gezonden. Dat houdt in dat we een woord voor die wereld hebben, zoals Hij dat had. Heiliging voert niet tot isolement, maar tot bruikbaarheid om de waarheid te brengen aan een wereld die in de leugen leeft. Onze heiliging gebeurt niet alleen door het woord van de Vader, maar ook door de heiliging van de Zoon voor ons. Deze heiliging bestaat daarin dat Hij letterlijk uit de wereld weggaat om een geheiligde plaats bij de Vader in te nemen. Hij is daar voor ons. Hij is daar ons model van heiligheid. Zijn plaats bij de Vader is onze plaats. Er is heiligende kracht in de waarheid (Jh 17:17) en er is heiligende kracht in het zien op Christus in de heerlijkheid (Jh 17:19). Er zijn dus twee heerlijke waarheden die de gelovige in de tegenwoordige tijd heiligen. De eerste waarheid is de openbaring van de Vader in Zijn woord dat door en in de Zoon tot ons is gekomen. De tweede waarheid is de kennis van de heerlijkheid van de Zoon als de opgestane en verheerlijkte Mens in de hemel. Als deze twee waarheden door de Heilige Geest voor onze aandacht staan, zullen wij een geheiligd leven leiden.
Copyright information for
DutKingComments