‏ John 17:24-26

De wil van de Heer Jezus voor de Zijnen

In de slotwoorden van Zijn gebed spreekt de Zoon ten aanhoren van ons nog eens nadrukkelijk de Vader met “Vader” aan. Wat Hij tegen de Vader zegt, is geen bede, het is zelfs geen vraag, maar het uitspreken van Zijn wil. Hier laat Hij Zijn Goddelijke wil horen, “Ik wil”, net zoals Hij eens tegen een melaatse zei: “Ik wil, word gereinigd!” (Mt 8:3). Hij doet dat niet omdat Zijn wil niet dezelfde zou zijn als die van de Vader, maar om ons duidelijk te maken dat Zijn wil volkomen die van de Vader is.

Wat Hij hier als Zijn wil bekendmaakt, is dat Hij ons bij Zich wil hebben op de plaats waar Hij is, in het Vaderhuis (Jh 14:3). Hij wil dat wij daar zijn om Zijn heerlijkheid aan ons te laten zien. Dat is niet Zijn heerlijkheid als de eeuwige Zoon, want die kent alleen de Vader volmaakt en kan door ons niet gezien worden (Mt 11:27). Er blijft voor ons, die schepselen zijn en blijven, een heerlijkheid in de Heer Jezus die absoluut alleen gekend kan worden door de beide andere Goddelijke Personen.

Het is ook niet de heerlijkheid die gezien zal worden bij Zijn openbaring voor de wereld, want die heerlijkheid zullen wij met Hem delen. Het is hier de heerlijkheid die de Vader Hem heeft gegeven op grond van Zijn verheerlijking door Hem op aarde. Hij ontvangt die heerlijkheid op grond van Zijn persoonlijke verhouding van liefde die de Vader van eeuwigheid voor Hem als de eeuwige Zoon had. We mogen zien hoe Hij als Mens daar eeuwig van geniet.

Wij zullen die heerlijkheid niet delen, maar wel zien in het Vaderhuis. Het is wel de heerlijkheid van Jh 17:5, de gegeven heerlijkheid, maar dan in een aspect van heerlijkheid dat alleen Hem toekomt. Wij zullen Hem dat ook van harte gunnen en Hem daarin bewonderen. Er zijn aspecten in Zijn heerlijkheid die te allen tijde uitgaan boven de heerlijkheid die wij met Hem mogen delen. Hij blijft als de Heerlijkste van allen ver boven ons verheven.

Het doorgaande werk van de Heer Jezus

In Jh 17:11 heeft de Heer Jezus Zich gericht tot de “Heilige Vader”, want Zijn heiligheid moet de afzondering van de discipelen in de wereld bepalen. Hier beziet Hij de wereld in haar zonde en verblinding en spreekt Hij tot de “Rechtvaardige Vader”. Hij spreekt ook niet over de wereld als het systeem dat Hem heeft gehaat, maar als het systeem dat de Vader niet heeft gekend toen de Vader in de Zoon tot de wereld kwam. Daartegenover stelt de Zoon dat Hij Hem wel heeft gekend en dat Zijn discipelen hebben erkend dat de Vader Hem heeft gezonden. Hij kent de Vader en de Zijnen kennen de Vader door Hem. Zij horen nu ook bij Hem.

Hij heeft de Naam van de Vader tot uiting gebracht in Zijn hele Wezen, zoals alleen Hij dat kon. Dat heeft Hij op aarde gedaan. Dat zal Hij ook doen vanuit de hemel en wel, opdat Hij de discipelen en ook ons het bewustzijn van dezelfde liefde van de Vader geeft dat Hij had toen Hij op aarde was.

Om elke aarzeling bij de discipelen weg te nemen voegt Hij eraan toe dat Hijzelf als hun leven in hen zal zijn. Niet alleen de liefde van de Vader voor de Zoon is in hen, maar de Zoon Zelf is in hen. Daardoor zijn zij in staat Zijn leven te leven. Dat leven betekent alles voor de Vader. De Vader zal hen dan ook liefhebben zoals Hij de Zoon heeft liefgehad toen Deze op aarde was. In zekere zin zal dan Christus alles in allen zijn in hen die Hem als hun leven hebben (vgl. 1Ko 15:28).

Copyright information for DutKingComments