‏ John 3:26

De discipelen van Johannes

Na het indrukwekkende onderwijs over de nieuwe geboorte en het eeuwige leven volgen we de Heer met Zijn discipelen naar het land van Judéa. Hij houdt Zich daar met Zijn discipelen op, terwijl er mensen bij Hem komen om te worden gedoopt. Hij doopt niet Zelf, maar laat dat doen door Zijn discipelen (Jh 4:1-2).

Terwijl Hij mensen ontvangt die gedoopt willen worden, is Johannes ook bezig met het dopen van mensen. Johannes doet dat op een plaats waar veel water is, een aanduiding die toch wel aangeeft dat de doop niet door besprenkeling, maar door onderdompeling geschiedde, want daarvoor is nu eenmaal veel water nodig. Johannes de evangelist vermeldt nog tussendoor dat Johannes de doper nog niet in de gevangenis was geworpen. Uit deze mededeling blijkt dat het voorgaande plaatsvond voordat de Heer Jezus met Zijn openbare dienstwerk begon. De Heer begon daarmee toen Johannes in de gevangenis was geworpen (Mt 4:12; Mk 1:14; Lk 3:20).

Terwijl Johannes bezig is met het dopen van mensen, krijgen enkele van zijn discipelen een discussie met een Jood over reiniging. Zowel de discipelen van Johannes als de Joden waren nog gebonden aan de godsdienstige inzettingen die eigen waren aan het leven van het volk onder de wet. Dan zijn er altijd twistpunten over de juiste interpretatie van bepaalde handelingen. Hier betreft het een reinigingsritueel.

Er worden geen bijzonderheden gegeven, maar we weten hoezeer de farizeeën aan hun overleveringen in deze zaak waren gehecht (Mt 15:2-3; Mk 7:3-4; Lk 11:38-39). Later zullen de farizeeën de Heer telkens weer tot dergelijke twistgesprekken willen verleiden. Mensen die grote betekenis hechten aan tradities en rituelen verdedigen deze dingen altijd met woordenstrijd. Omdat de discipelen van Johannes daar ook niet vrij van zijn, laten zij zich daartoe verleiden. De Heer heeft nooit een woordenstrijd gevoerd. Hij sprak de waarheid.

Na de discussie over het verschil in opvatting over reiniging zijn er discipelen van Johannes die een ander verschil constateren. Zij zien de Heer aan het werk en hoe alle mensen naar Hem toe gaan. Ze benaderen Johannes als hun “rabbi” en vertellen hem wat ze hebben gezien.

Ze duiden de Heer Jezus aan als “Hij Die met u was” en “van Wie u hebt getuigd”. Er is geen vijandschap tegen Hem bij hen, maar wel onkunde over Hem. Ze zien in Hem niet het Lam van God en de Zoon van God, terwijl Johannes toch duidelijk op die wijze over Hem heeft gesproken (Jh 1:29; 34). Het lijkt alsof ze de Heer als concurrent van hun meester zien. In elk geval weten ze niet wat ze van Hem en Zijn optreden moeten denken. In hun denken neemt Johannes nog een te grote plaats in, waardoor ze geen oog hebben voor de heerlijkheid van de Zoon van God.

Copyright information for DutKingComments