Jonah 3:6
Opstaan van de troon
De uitwerking van de prediking is zo spontaan, dat niemand op een woord van de koning wacht, maar zich in rouwkleding hult (Jn 3:5). Maar de koning blijft niet achter. Hij sluit zich bij de algemene rouw aan. Zijn eerste reactie is dat hij opstaat van zijn troon. Hij zegt hiermee als het ware dat hij afstand doet van zijn gezag vanwege het misbruik dat hij ervan heeft gemaakt. Tevens ligt in die handeling de erkenning van het gezag van een Meerdere. Dat aspect zien we ook bij andere koningen die van hun troon opstaan, zoals Eglon (Ri 3:20) en Nebukadnezar (Dn 3:24). Zolang de mens meent zijn eigen leven te kunnen besturen, zit het eigen ‘ik’ nog op de troon. Het eerste resultaat bij iemand die overtuigd is van Gods gezag over zijn leven, is dat hij van zijn ‘troon’ afkomt. Bij de koning van Ninevé blijft het daar niet bij. Het volgende wat hij doet, is zijn staatsiegewaad afleggen. Hiermee zegt hij als het ware dat hij al zijn waardigheid heeft verspeeld. Ten slotte doet ook hij een rouwgewaad aan. Hij sluit zich aan bij het volk in hun rouw. Hij erkent dat er bij God geen aanzien des persoons is: ”Want er is geen onderscheid. Want allen hebben gezondigd en komen tekort aan de heerlijkheid van God” (Rm 3:22b-23). Dan gaat hij nog een stap verder. Hij neemt plaats in het stof, de plaats die spreekt van de diepste vernedering en de dood (Jb 42:6; Ps 22:16). Als hoofd van het volk is hij zich zijn grotere verantwoordelijkheid bewust in het voorgaan in de zonde. Vanuit dit dieptepunt begint hij een andere manier van volksbestuur. Zonder het zich nog bewust te zijn voert hij het volk terug naar God.
Copyright information for
DutKingComments