‏ Judges 1:21-36

Benjamin

Na de uitvoerige beschrijving van de lotgevallen van Juda en Simeon volgt nu in snel tempo een beschrijving van de successen, of eerder, het falen van de andere stammen. Nadat Juda niet in staat is gebleken de vijand te verdrijven (Ri 1:19), klinkt het als een telkens terugkerend refrein in de Ri 1:21-36 dat zij de vijanden “niet verdreven” (Ri 1:21; 27; 28; 29; 30; 31; 32; 33).

De eerstvolgende is Benjamin. De vijand die in Ri 1:8 is verslagen, blijkt niet volledig verslagen te zijn. Er is een deel overgebleven en dat deel biedt grote tegenstand. Misschien is dit mogelijk geweest doordat Juda alleen zijn eigen deel van de stad heeft veroverd. Jeruzalem ligt namelijk op de grens van Juda en Benjamin, waardoor elk van die stammen een deel van de stad toekomt. Hoe het ook zij, de vijand houdt zich nooit voor verslagen en ziet zelfs kans zich te handhaven door de ontrouw van Gods volk.

Het is louter onverschilligheid waardoor Benjamin de vijand in zijn midden laat wonen. Benjamin is immers de oorlogsstam. In zijn profetie beschrijft Jakob hem zo: “Benjamin is een verscheurende wolf; 's morgens verslindt hij [zijn] prooi, en 's avonds deelt hij buit uit” (Gn 49:27). De naam Benjamin betekent ‘zoon van mijn rechterhand’ en de rechterhand spreekt van kracht en een positie van eer. Christus zal straks als de ware Benjamin, als de ware Zoon van Gods rechterhand, op aarde regeren. Daartoe zal Hij ten oordeel verschijnen. Nu is Hij nog in de hemel. Hij is “gaan zitten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge” (Hb 1:3; Hb 8:1; Hb 10:12; Hb 12:2).

Benjamin is vergeten wat er over hem is gezegd. Hij is ontrouw aan zijn roeping door onverschilligheid. Benjamin stelt onze plaats in Christus voor. Als we vergeten dat we in Christus gezet zijn in de hemelse gewesten en dat wij in Hem een plaats hebben aan Gods rechterhand, worden we onverschillig tegenover de wereld om ons heen en ongevoelig voor het kwaad dat er heerst. We verliezen aan kracht en de vijand kan zijn invloed op ons blijven uitoefenen.

Jozef

Hier lezen we over Jozef. Hoewel de HEERE met hem is, net als bij Juda, hebben we ook hier aanwijzingen dat hij niet volledig op de HEERE vertrouwt. Hij trekt in geloof op tegen Bethel en daarom is de HEERE met hem. Dan gaat hij verkenners uitzenden. Heeft de HEERE dat opgedragen? Dit herinnert aan de geschiedenis in Jozua 2, waar Jozua opdracht geeft het land te verkennen. Het verschil is, dat het daar een werk van geloof is en dat wordt hier gemist. De man uit Luz blijkt een verrader te zijn. In plaats van zich bij Gods volk aan te sluiten, zoals Rachab, bouwt hij de door de HEERE verwoeste stad ergens anders weer op.

Telkens weer worden we eraan herinnerd dat we geen enkele vijand moeten vertrouwen of laten ontkomen. We kunnen in geestelijke zaken geen winst doen met ideeën van de wereld, waarvan de onderhandelingen van Jozef met de man uit Luz een beeld zijn. Daar komen we op den duur bedrogen mee uit. Het lijkt erop dat we er profijt van hebben, maar dat is slechts van korte duur. Alles wat we in ons leven goedpraten, terwijl het iets van de vijand, van het vlees of van de eigen wil is, zal zich op een zeker moment tegen ons keren. Net zoals hier bij die man uit Luz. De hele stad wordt verwoest, maar die man en zijn gezin laten ze gaan.

De namen laten ons in hun betekenis de les zien. Bethel betekent ‘huis van God’, Luz betekent ‘afzondering’ en Hethieten staat voor ‘kinderen van de verschrikking’. De naam van de stad is eerst Luz, ‘afzondering’. Als zodanig is ze in het bezit van de vijand. Afzondering is een bijbelse waarheid, maar ze kan op een verkeerde, onbijbelse manier worden onderwezen en in praktijk worden gebracht. Zo wordt deze bijbelse waarheid ‘eigendom’ van de vijand.

Een voorbeeld daarvan zien we bij de farizeeën. Hun naam betekent ‘afgescheiden’. Er zijn onder hen gunstige uitzonderingen, maar in het algemeen vormen de farizeeën een groep binnen het Joodse volk die zich van het gewone volk heeft afgescheiden. Zij vinden zichzelf heiliger dan de rest. Enkele keren noemt de Heer Jezus hen huichelaars. In Mattheüs 23 stelt Hij in scherpe bewoordingen hun huichelarij aan de kaak. Zij kenmerken zich door “zware lasten … op de schouders van de mensen” te leggen, “maar zijzelf willen ze met hun vinger niet verroeren” (Mt 23:4). Dit farizeïsme zit ons allemaal in het bloed.

Er moet met deze vijand worden afgerekend. Dan kan Luz een andere naam krijgen: Bethel, dat ‘huis Gods’ betekent. In het tegenwoordige huis van God, de gemeente, woont God (1Tm 3:15). Allen die leven uit God hebben, wonen er ook. Als de verkeerde afzondering uit ons leven is verdwenen, kunnen we de goede afzondering in praktijk brengen. Goede afzondering is afzondering tot God, Hem toegewijd dienen in Zijn huis. In Zijn tegenwoordigheid zijn betekent, dat we er rekening mee houden dat Hij de heilige God is, Die geen enkel kwaad kan dulden. De psalmist zegt over Gods huis: “De heiligheid is een sieraad voor Uw huis, HEERE, tot in lengte van dagen” (Ps 93:5b).

Een ander voorbeeld van verkeerde afzondering is te gaan leven als een kloosterling. Zonder te oordelen over de motieven die iemand tot zo’n leven brengen, is het principe van het kloosterleven vreemd aan de Schrift. Het veronderstelt een bijzondere heiliging aan God die zo ver gaat, dat men zich van de gewone zaken van het leven in de wereld afzondert om zich te wijden aan de hogere dingen. Wat men vergeet, is dat de zonde in het hart van de mens zit. Deze verkeerde, uiterlijke vorm van afzondering moet worden overwonnen.

Het is te betreuren als we in bepaalde opzichten die verkeerde afzondering toch in stand houden. Dit verkeerde zal na verloop van tijd zeker weer sterker worden. Een voedingsbodem vindt het bij de “Hethieten” dat ‘de kinderen van de verschrikking’ betekent. Wie geen korte metten maakt met het farizeïsme in zijn leven, zal vroeg of laat door het farizeïsme worden beheerst. Het gevolg daarvan zal zijn, dat er van zijn leven een verschrikkelijke invloed naar anderen uitgaat.

Manasse en de Kanaänieten

Uit wat over Manasse wordt gezegd, krijgen we de indruk dat hij geen enkele plaats volledig in bezit heeft genomen. De hele streek die hem is toebedeeld, blijft de Kanaänitische sfeer uitademen. Hoewel de Kanaänieten knechten zijn geworden en hun macht in zeker opzicht is gebroken, zijn ze er toch in geslaagd zich te handhaven. Hun wil is sterker dan de wil van Manasse. De wil van de heidense volken heeft nog een sterke invloed op het zwakke volk van God.

De invloed van de wereld is een gevaar dat alle christenen bedreigt. De vijand kan verplicht zijn in de gelovige zijn meerdere te erkennen, maar als we met hem gaan ‘onderhandelen’, blijft hij in leven. Wij kunnen ons bewust zijn dat het vlees zich niet mag laten gelden, terwijl we het toch gebruiken om ons doel te bereiken. Een zeker christen kan bijvoorbeeld goed praten. Door allerlei oorzaken komt hij in een kwaad daglicht te staan, zonder daar zelf schuld aan te hebben. Zal hij nu al zijn redenaarstalent uit de kast halen om zijn onschuld te bewijzen, of geeft hij het over “aan Hem Die rechtvaardig oordeelt” (1Pt 2:23)?

We kunnen ook kijken naar onze reactie als ons door een broeder onrecht is aangedaan. Stappen we dan naar de wereldse rechter of lijden we liever onrecht (1Ko 6:6-7)?

Efraïm en Zebulon

Efraïm en Zebulon laten de vijanden ook in hun midden wonen, ze dulden hun aanwezigheid. Ze geven zich geen rekenschap van het feit dat het verdragen van hun vijanden tot oneer van God is. Het is zonde. Het betekent gewoon een onverschillige houding ten opzichte van Gods land dat Hij aan heel Israël heeft gegeven.

Aser en Naftali

Aser en Naftali maken het nog bonter. Zij wonen zelf te midden van de vijanden en gaan zo’n beetje in de heidenen op. Hier zijn de rollen omgedraaid. De ontrouw van het volk krijgt steeds grotere gevolgen. Niet de vijanden wonen te midden van de Israëlieten, wat ook al ontrouw aan God betekent, maar de Israëlieten wonen nu te midden van de vijanden. De vijanden blijven de zeggenschap over het land houden en dulden de Israëlieten in hun midden. Wat een zwakheid bij het volk!

Het lijkt op iemand die wel een christen is, het nieuwe leven heeft, maar in zijn leven gedicteerd wordt door zijn vlees, door zijn eigen gedachten. Deze gedachten zijn niet gevormd door omgang met God, maar door omgang met mensen en meningen van de wereld.

Dan, de Amorieten en het huis van Jozef

De stam Dan brengt het er het slechtst vanaf. De Danieten kunnen de vijanden niet verdrijven, integendeel, de vijanden verdrijven hen uit hun erfdeel. Het is de laatste fase van de achteruitgang die in dit hoofdstuk wordt beschreven. Er wordt op geen enkele wijze meer genoten van de zegen van het land.

De houding van de stam Dan komt overeen met die van de christen die helemaal door de dingen van de wereld in beslag wordt genomen. Zeker, hij zegt nog wel een christen te zijn, is ook nog wel eens in een christelijke samenkomst, maar uit zijn leven en spreken blijkt er nauwelijks iets van dat hij echt christen is. Er is niets waaruit blijkt dat hij het fijn vindt om over de dingen van God en de Heer Jezus te horen of er zelf over te praten. Thuis blijft zijn Bijbel dicht en aan bidden denkt hij niet.

De Amorieten zijn de eerste vijanden die Israël op zijn weg naar het beloofde land heeft ontmoet en verslagen. In verbinding met de Amoriet zegt God tegen Zijn volk: “Begin het in bezit te nemen en ga met hén de strijd aan” (Dt 2:24). Deze strijd speelt zich af voordat het volk door de Jordaan is gegaan. Het is een terrein dat zich niet in het beloofde land bevindt, maar aan de woestijnkant van de Jordaan.

Het spreekt dan ook niet van de geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten, maar van aardse zegeningen. Ook die zegeningen moeten veroverd worden; ook voor alle aardse zegeningen behoren wij God te danken. Onder aardse zegeningen kunnen we dingen verstaan als gezondheid, een goed huwelijk, een voldoening gevende baan, een verkwikkende tijd van ontspanning. Dat zijn niet onze eigenlijke geestelijke, hemelse en eeuwige zegeningen. Aardse zegeningen bezitten we gemeenschappelijk met ongelovigen. Alleen is er dit verschil dat de christen deze dingen uit Gods hand aanvaardt en Hem ervoor dankt, terwijl de ongelovige dat niet doet.

Als de christen zulke zegeningen als vanzelfsprekend gaat beschouwen en er zelfs voor gaat leven, wordt hij in geestelijk opzicht door de Amorieten uit zijn erfdeel verdreven. Hij doet er alles aan om gezond te blijven en vergeet dat hij in Gods hand is; hij doet alles om zijn huwelijk goed te houden en heeft nooit tijd om een ander geestelijk te dienen; zijn baan is hem alles, hij is een echte workaholic, wat ten koste gaat van het bezoeken van de christelijke samenkomsten; hij doet alles om van zijn volgende vakantie een nog groter succes te maken dan de vorige: reisgidsen bestuderen, de verschillende vakantiebestemmingen afwegen, zoveel mogelijk informatie tot zich nemen, om geheel voorbereid naar de uitverkoren bestemming te gaan. Maar er is geen belangstelling, geen inzet, geen tijd voor wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben.

Gelukkig is het huis van Jozef zo oplettend, dat het de Amorieten een halt toeroept. Gelukkig zijn er nog mensen in het volk van God die oog hebben voor de gevaren van de aardse zegeningen. Laten we naar hen luisteren en onze winst ermee doen.

Copyright information for DutKingComments