Luke 22:13-20

Voorbereidingen om het Pascha te eten

Dan breekt de dag van de ongezuurde broden aan, waarop het Pascha moet worden geslacht. De tijd gaat door en de gebeurtenissen waarnaar in de voorgaande eeuwen is uitgezien en die zijn voorzegd, staan op het punt vervuld te worden. De schaduwbeelden vervagen en dat waarnaar ze verwijzen, komt in het licht.

Dat het evangelie naar Lukas de inleiding vormt op de brieven van Paulus, vindt hier een nieuw bewijs. Paulus verbindt het Feest van de ongezuurde broden en het Pascha geestelijk met elkaar. Hij spreekt over “ons Pascha, Christus” en over “feestvieren … met ongezuurde [broden] van oprechtheid en waarheid” (1Ko 5:7-8). Verderop in de eerste brief aan de Korinthiërs spreekt hij over het avondmaal zoals dat door Lukas hier wordt weergegeven (Lk 22:19-20; 1Ko 11:23-26).

Als we het Pascha begrijpen, zullen we ook het avondmaal begrijpen. Het Pascha heeft te maken met het oordeel over de eerstgeborenen, de trots en de kracht van Egypte, maar ook de trots en de kracht van de Israëlieten. De eerstgeborenen konden alleen gespaard blijven als ze schuilden achter het bloed van het lam. Dat is echter niet het enige. Sparen, niet omkomen, is alleen negatief. Het vervolg van Exodus 12 laat zien dat God spaart om voor Zichzelf te nemen. De eerstgeborenen moeten voor Hem worden geheiligd. Het Pascha is een heiligingsfeest, een feest van toewijding. De gemeente is de “gemeente van [de] eerstgeborenen” (Hb 12:23). We zijn helemaal van en voor Hem. Daarom volgt op het Pascha het Feest van de ongezuurde broden.

De Heer Jezus is niet overgeleverd aan Judas of de godsdienstige leiders of de Romeinse overheid op de door hen bepaalde tijd. Hij bepaalt de tijd, de vorm, de plaats voor het Pascha en daarmee het tijdstip van Zijn overlevering in handen van mensen. Terwijl Hij volmaakt weet van de boze plannen die Zijn vijanden samen met de verrader smeden, handelt Hij in volmaakte afhankelijkheid van Zijn Vader. In het plan van Zijn Vader staat dat Hij samen met Zijn discipelen het Pascha zal eten. Dat moet dus gebeuren.

Om het Pascha klaar te maken zendt de Heer twee van Zijn discipelen, die met name genoemd worden, Petrus en Johannes, om het voor hen te bereiden. Het is treffend dat juist zij in hun geschriften schrijven over het Lam (1Pt 1:19; Jh 1:29; 36; Op 5:6). Petrus en Johannes vragen waar Hij wil dat ze het bereiden. Dat is ook voor iedere gelovige vandaag de belangrijke vraag als het erom gaat waar hij het avondmaal zal vieren.

De Heer geeft geen adres, maar wel aanwijzingen. Hij wil dat ze uitkijken naar een man die ze zullen tegenkomen en die een kruik water draagt. Er lopen niet talloze mannen met kruiken water rond. Waterdragers zijn meestal vrouwen. Het zal dan ook een opmerkelijke verschijning zijn. Hem moeten ze volgen en het huis binnengaan dat hij binnengaat.

Voor ons is dit een belangrijke aanwijzing als het gaat om de vraag waar gelovigen het avondmaal zullen vieren. Het ontdekken van de plaats waar de Heer met de Zijnen wil samenkomen, gaat gepaard met geestelijke oefeningen. Dat was ook zo toen God tot de Israëlieten sprak over de plaats die Hij uitgekozen had om Zijn Naam daar te laten wonen (Dt 12:5; vgl. Hl 1:7-8; Jh 1:38-40).

De man met de kruik water op zijn hoofd stelt iemand voor die in zijn leven – waarvan de kruik een beeld is – het Woord van God – waarvan het water een beeld is – in zijn reinigende kracht toepast (vgl. Ef 5:26) en dat ook doet met betrekking tot de plaats waar de Heer is. De Heer gebruikt gelovigen die trouw zijn aan Zijn Woord om andere gelovigen die ook naar Hem willen luisteren en bij Hem willen zijn over die plaats van samenkomen te vertellen.

De man brengt het water naar het huis. Met dat water heeft de Heer mogelijk de voeten van de discipelen gewassen (Jh 13:1-20). We moeten ons bewust zijn dat wij ons hebben te onderwerpen aan de reinigende kracht van het Woord als wij samenkomen om het avondmaal te vieren. De plaats waar Christus de Zijnen vergadert, is een reine plaats.

Als ze zijn binnengegaan, moeten ze de heer van het huis namens Hem, de Meester, vragen naar het gastverblijf om het Pascha te eten. Het woord ‘gastverblijf’ is hetzelfde woord als in Lukas 2 waar het vertaald is met ‘herberg’ (Lk 2:7). Het komt verder nog maar één keer voor in het Nieuwe Testament, in Markus 14, waar de Heer spreekt over ‘Mijn gastverblijf’ (Mk 14:14).

In het eerste gastverblijf was geen plaats voor de Heer (Lk 2:7). Dat is als het ware de herberg van de wereld waar alleen plaats is voor mensen van de wereld, voor mensen ‘van beneden’. De Heer zoekt ook geen woonplaats in de wereld. Tegenover die herberg heeft Hij Zijn eigen ‘gastverblijf’ waar Hij de Gastheer is en de Zijnen bij Zich uitnodigt om bij Hem te gast te zijn. Daar is plaats voor alle ware discipelen, hoe zwak en vaak ongeestelijk ze ook zijn.

De Heer voorzegt Zijn discipelen dat de heer van het huis hen direct ter wille zal zijn. Hij heeft in het hart van die heer de bereidwilligheid daartoe gewerkt, evenals Hij dat heeft gedaan in het hart van de eigenaars van het ezelsveulen dat Hij nodig had (Lk 19:31-35). Hij zal hun een “grote, toegeruste bovenzaal wijzen”.

Het verblijf waar Christus de Zijnen uitnodigt, is een “bovenzaal”, een verheven zaal, een zaal boven het niveau van de wereld, een zaal die in verbinding met de hemel staat en niet in verbinding met de aarde. Daar is een hemelse sfeer. Het is ook een “grote” zaal, er is plaats voor velen. En het is een “toegeruste” zaal, een plaats die door Hem is klaargemaakt, niemand hoeft er nog iets aan te doen alsof er nog iets aan ontbrak.

Petrus en Johannes gaan op weg en het gaat allemaal zoals de Heer hun heeft gezegd. In overeenstemming met Zijn opdracht maken ze op de aangewezen plaats het Pascha klaar. Ze hebben niet onderweg uitgekeken naar een gelegenheid die hun ook wel geschikt leek, maar ze hebben eenvoudig Zijn bevel opgevolgd.

De viering van het Pascha

Op het vooraf bepaalde uur gaat de Heer aanliggen. De apostelen mogen met Hem aanliggen. Hij neemt het initiatief. Hij weet dat alles nu naar de vervulling gaat van wat over Hem geschreven staat. In de wet wijst alles op Hem. Hij is het ware Lam. Ook de profeten hebben op Hem gewezen als de lijdende Knecht van de HEERE.

In Zijn onbegrensde en daardoor voor ons onbegrijpelijke en tegelijk overweldigende liefde richt Hij Zich op dit ogenblik tot Zijn apostelen met een uiting van Zijn hart waaruit Zijn diepe verlangen naar gemeenschap met hen spreekt. Hij spreekt Zijn vurig begeren uit juist “dit Pascha” met hen te eten.

Het zal het laatste Pascha zijn, want tijdens dit Pascha zal Hij worden overgeleverd en zal Hij lijden en sterven. Tijdens dit Pascha zal het Pascha in Zijn Persoon vervuld worden. Dat staat vóór Hem. Voordat Hij het lijden zal ondergaan, wil Hij zo graag Zijn apostelen nog iets meedelen over de ware betekenis van het Pascha voor Hem en voor hen. Het gaat Hem niet om het vervullen van een ritueel, maar om het vervullen van Gods raad met het oog op het koninkrijk in de harten van de Zijnen.

De Heer deelt Zijn apostelen mee dat Hij aan het Pascha als gedachtenismaal geen betekenis meer hecht. De viering van en herinnering aan de bevrijding uit Egypte op grond van het lam heeft door Zijn verwerping zijn betekenis verloren. Als Hij het koninkrijk van God zal oprichten, zal Hij van dat opgerichte koninkrijk het glorieuze middelpunt zijn. Hij zal het oprichten nadat Hij Zijn volk heeft bevrijd van hun vijanden door die te oordelen, evenals Hij dat destijds in Egypte heeft gedaan. In het vrederijk dat dan zal volgen, zal Zijn volk Hem eren met hun offers en zal Hij daarin met hen gemeenschap hebben, waarvan eten het symbool is. Nu staat het lijden Hem te wachten.

In een andere zin is het Pascha vervuld in het koninkrijk van God zoals dat nu bestaat in de harten van hen die in Hem geloven (Rm 14:17). Door Zijn overgave aan het kruis kan Hij met ons eten, dat is met ons gemeenschap hebben (vgl. Op 3:20).

De drinkbeker hoort ook bij het Pascha. Hij geeft hun ook die om die onder elkaar te delen. De drinkbeker spreekt van vreugde. Hij stelt hun die vreugde voor. Zij mogen zich verheugen over de bevrijding eens uit Egypte. Wij mogen ons verheugen over de bevrijding uit de slavernij van de zonde.

Zelf zal Hij er geen deel meer aan hebben op aarde. Pas als het koninkrijk van God is opgericht, zal Hij Zich met hen verheugen over de basis van dat koninkrijk die Hij op dit moment nog moest gaan leggen.

In andere zin is het koninkrijk van God al gekomen en wel daar, waar Christus in het geloof wordt erkend. Allen die uit God geboren zijn, zijn ingegaan in het koninkrijk van God (Jh 3:5) en met hen verheugt de Heer Zich over de gevolgen van Zijn werk. Telkens als we samenkomen, mogen we dat beleven. Dan mogen we de vreugde in onze harten uitspreken en met Hem delen.

Instelling van het avondmaal

Dan neemt de Heer brood om daaraan een nieuwe betekenis te geven, namelijk die van Zijn lichaam. Voordat Hij het aan Zijn discipelen geeft, dankt Hij God ervoor. Hij dankt God voor het overgeven van Zijn eigen lichaam dat spoedig aan het kruis zal worden gehangen. Hij kent de ware betekenis van het brood. Toch dankt Hij God ervoor. Het is een bewijs van Zijn onvoorwaardelijke overgave aan de wil van God.

Dan breekt Hij het brood en geeft het als gebroken aan Zijn apostelen. Hij stelt hiermee een nieuwe gedachtenismaaltijd in. Het is niet meer het Pascha als herinnering aan de bevrijding uit Egypte, maar het avondmaal als het blijvende getuigenis van Zijn liefde. De Heer wijst erop dat dit brood Zijn lichaam voorstelt dat voor hen “gegeven” wordt.

Het avondmaal wordt door Lukas voorgesteld in verbinding met alles wat ons, als leden van de gemeente, gegeven is op grond van het werk van de Heer Jezus. Daar mogen we aan denken als we op de eerste dag van de week samenkomen om avondmaal te vieren. Het gaat hier niet om de “velen”, zoals in het evangelie naar Mattheüs, maar om “u”, dat zijn de discipelen als degenen die de gemeente zullen vormen. Het gaat erom te zien wat God ons in deze Mens, want het is Zijn lichaam, gegeven heeft. Het is niet alleen een gegeven lichaam, maar een in de dood overgegeven lichaam.

De Heer zegt tegen Zijn discipelen aan Hem te denken als ze het avondmaal vieren. Het doen tot Zijn “gedachtenis” vinden we niet in het evangelie naar Mattheüs en het evangelie naar Markus, maar alleen hier en in 1 Korinthiërs 11 (1Ko 11:24-25). We denken aan Hem als de gestorven Christus, terwijl we Hem kennen als de levende Christus.

Hij geeft ons als leden van de gemeente veel redenen om aan Hem te denken. We mogen aan Hem denken als de eeuwige Zoon Die voor ons Mens wilde worden en we mogen Zijn volmaakte leven en Zijn volkomen overgave aan het kruis overdenken. We kunnen Hem ook zien in de hemel, gekroond met heerlijkheid en eer (Hb 2:9) en we mogen naar Zijn komst uitzien. Het zijn allemaal redenen om Hem te bewonderen en te aanbidden.

Ook de drinkbeker krijgt een nieuwe betekenis. De Heer Jezus verbindt aan de beker “het nieuwe verbond” dat gebaseerd is op Zijn bloed. Hiermee geeft Hij aan dat het oude verbond niet heeft voldaan. Het oude verbond heeft niet de beloofde zegeningen gebracht omdat het volk niet aan de voorwaarden heeft voldaan die eraan verbonden waren.

Het nieuwe verbond hangt niet af van de trouw van de mens, maar van de trouw van God en Christus. Christus neemt alle verplichtingen van het nieuwe verbond op Zich. Hij heeft ze allemaal vervuld en Hij heeft het bloed ervoor vergoten. Het bloed is “Mijn bloed”. Het is vergoten voor de Zijnen, zodat zij vrij zijn van de straf die het oude verbond met zich meebracht, om de zegeningen te kunnen genieten die het nieuwe verbond met zich meebrengt.

Copyright information for DutKingComments