Matthew 15:14-15

Onbegrip bij de discipelen

De discipelen voelen zich bij deze woorden ook een beetje ongemakkelijk. Zelfs zij hebben moeite met wat hun Meester zegt. Is het nu nodig om zo tegen de haren van de farizeeën in te strijken? Ze hebben meer aandacht voor de reactie die de woorden van de Heer bij de farizeeën uitlokken, dan dat ze die woorden zelf ter harte nemen. Ook zij zijn nog gevoelig voor wat deze godsdienstige leiders ervan vinden.

De Heer weet wel dat de farizeeën zich natuurlijk ergeren aan dit onderwijs dat al hun ceremoniële regels in de wortel aantast. In Zijn antwoord aan de discipelen maakt Hij duidelijk dat Hij ook weet hoe dat komt: zij zijn geen plant die de Vader heeft geplant. Daarvan is hun ergernis het bewijs. Het ingeplante woord is niet in hun harten (vgl. Jk 1:21). Zij zijn onkruid dat uitgeroeid moet worden. De discipelen moeten zich dan ook niet met hen bezighouden, dat zal God wel doen in Zijn regeringswegen. De farizeeën zijn blinde leidslieden en zij geven leiding aan een volk van blinden. Het is duidelijk dat zowel leidslieden als de door hen geleiden in de kuil van het verderf terecht zullen komen.

Verklaring van de gelijkenis

De discipelen begrijpen het onderwijs van de Heer niet en vragen Hem bij monde van Petrus of Hij de gelijkenis wil verklaren. De oorzaak van hun onbegrip is dat zij nog steeds te veel respect hebben voor de leringen van de farizeeën. Dat heeft invloed op hun harten. Het is ook lastig om vrij te komen van farizeïsme waarbij uiterlijke vormen boven innerlijke reinheid worden gesteld. Dit farizeïsme schuilt in ons allemaal.

De Heer wil hun de gelijkenis zeker verklaren, maar eerst berispt Hij hen, hoewel Hij dat op milde wijze doet. Inzicht in Zijn gedachten is een proces dat wordt vertraagd door wettische gedachten. Hij heeft groot geduld met ons als ons inzicht ontbreekt. Maar als we nog steeds bepaalde dingen op een wettische manier blijven zien, terwijl we toch al beter hadden moeten weten, moet Hij ons daarvoor berispen. Voor de wettisch gezinde persoon komt het inzicht langzaam.

In Zijn uitleg wijst Hij op het natuurlijke proces van het eten dat door de mond in de buik van de mens komt. In de buik worden de stoffen die niet door het lichaam worden opgenomen, afgescheiden en in het toilet weer uitgeworpen. Dat proces heeft niets met een geestelijke verontreiniging te maken. Wat een mens werkelijk verontreinigt, is wat er uit zijn hart komt en via zijn mond het lichaam verlaat. De ‘mond’ staat hier voor wat een mens laat horen én zien, zoals de Heer aantoont met Zijn opsomming van alles wat uit het hart voortkomt. De mond wijst op het hele gedrag van de mens.

De Heer weet wat er allemaal in het hart van de mens woont. Het komt niet allemaal door de mond tot uiting, maar de mond is wel het middel bij uitstek waardoor de zonde naar buiten komt (vgl. Jk 3:1-12). Het begint allemaal met boze, zondige overleggingen die vervolgens tot verschillende zondige daden voeren. Christus doorgrondt het hart.

Hij besluit Zijn betoog met de duidelijke uitspraak dat de door Hem genoemde dingen de mens werkelijk verontreinigen. Even duidelijk is Zijn verwerping van de lering van de farizeeën over het eten met ongewassen handen door Zijn discipelen waarop zij Hem hebben aangesproken aan het begin van dit hoofdstuk.

Copyright information for DutKingComments