Matthew 20:20-29
Een plaats in het koninkrijk
Na Zijn indrukwekkende woorden over Zijn lijden, dood en opstanding komt de moeder van Johannes en Jakobus bij Hem. Ze eert Hem eerst. Ze is zich bewust van Zijn verhevenheid. Dan vraagt ze iets van Hem. Ze heeft de vraag nog niet gesteld, maar gevraagd of ze iets mag vragen. Hoewel de Heer weet wat haar bezighoudt, nodigt Hij haar uit te vragen wat zij wil. Haar verzoek is of haar zonen een vooraanstaande plaats in Zijn koninkrijk mogen hebben. Uit haar vraag blijkt haar geloof in Christus als Koning. Hij antwoordt haar dat ze niet weet wat ze vraagt. Dit is een berisping. Zo’n vraag had ze beter niet kunnen stellen. De Heer openbaart het motief van de vraag door vervolgens de zonen een vraag te stellen. Zij zullen hun moeder hebben gevraagd om Hem de vraag te stellen over de begeerde positie in het koninkrijk. Petrus heeft zojuist nog gevraagd wat hun deel zou zijn (Mt 19:27); de broers Johannes en Jakobus gaan een stapje verder en bepalen hun deel zelf door te vragen naar een voorname plaats in het koninkrijk. Hoewel ze om hun vraag door de Heer worden berispt, moeten we niet vergeten dat het hun verlangen was om dicht bij hun Meester en Heer te zijn. Zonder twijfel zullen ze dicht bij Hem zijn op de dag dat zij met hun medediscipelen op twaalf tronen zullen zitten om de twaalf stammen van Israël te oordelen (Mt 19:28).De Heer reageert met een vraag die gaat over het drinken van een drinkbeker. Het drinken van een drinkbeker ziet op een vorm van lijden. De zonen van Zebedeüs antwoorden dat zij die drinkbeker kunnen drinken. Is dat overmoed? De Heer antwoordt niet dat ze de beker wel kunnen drinken, maar zegt dat ze die zeker zullen drinken. Over hun positie in het koninkrijk laat Hij Zich niet uit. Die zaak is in de hand van Zijn Vader en Die heeft voor ieder een plaats bereid.Wat de moeder voor haar zonen aan de Heer vraagt, krijgt zij niet. Het is uitzonderlijk dat we lezen dat een moeder iets voor haar kinderen aan de Heer vraagt wat niet door Hem wordt verhoord. Dat komt door wat er wordt gevraagd. Een vraag met het oog op nood wordt altijd verhoord. Hier gaat het om een vraag naar beloning voor haar zonen, een eerbewijs aan hen, en dat verzoek kan Hij niet inwilligen.Als de tien andere discipelen dit horen, nemen ze het de twee broers zeer kwalijk. Maar waarom nemen zij het Johannes en Jakobus kwalijk? Hebben ze misschien last gehad van concurrerende gevoelens?Niet heersen, maar dienen
De Heer roept Zijn discipelen bij Zich. Hij heeft hun iets te leren over de dingen die hen allemaal bezighouden met betrekking tot hun plaats in het koninkrijk. Om hun de les van dienen te leren wijst Hij op wat gebruikelijk is in de wereld. Hoe het er daar aan toegaat, weten ze. Ze kennen de wereld. In de wereld streeft men naar gezag. De oversten en groten hebben het voor het zeggen en de anderen hebben niets te vertellen. Onder de gelovigen behoort het heel anders te zijn. De geest van Christus is een geest van dienen die leidt tot de keus van de nederigste plaats en algehele toewijding aan anderen. Het betekent afstand doen van alles om met vertrouwen afhankelijk te zijn van de genade van Hem Die we dienen. Het gaat om de consequente bereidheid de nederigste plaats in te nemen om zo de dienaar van allen te zijn. Dat behoort de gezindheid te zijn van hen die deelhebben aan het koninkrijk zoals het nu gevestigd is door de verworpen Heer. In het koninkrijk van God heersen regels die staan tegenover de regels die in de koninkrijken van de wereld gelden. In het koninkrijk van God leidt ware dienstbaarheid tot ware grootheid. Grootheid in de wereld komt tot uitdrukking in heerschappij en gezag over anderen. Grootheid onder de heiligen komt tot uitdrukking in dienen en zorg. “Groot … worden” heeft te maken met hoe iemand zich doet kennen. Iemand die groot wil zijn in het koninkrijk, zal dat zijn als hij als een dienaar anderen wil dienen. De “eerste … zijn” heeft te maken met rangorde. Wie dat wil zijn, moet slaaf willen zijn, dat wil zeggen iemand die het volledige bezit is van een meester en geen enkel recht heeft op een eigen bestaan. Zijn bestaan wordt bepaald door zijn meester. Bij “dienstknecht” gaat het meer om wat hij doet, zijn bereidheid om te dienen. Bij “slaaf” gaat het meer om wat de meester wil. Hij die gediend wordt, bepaalt zijn leven.De Heer Jezus is Zelf het grote Voorbeeld van Iemand Die leeft naar de regels van het rijk van de hemel. Hij is daarom dan ook de Grootste en de Eerste. Hij heeft ook een werk volbracht waarin we Hem niet kunnen navolgen. Dat is het werk van de verlossing. Zijn dienst ging zover, dat Hij Zijn leven gaf. Alleen Zijn volmaakte leven en de overgave daarvan in de dood kan een losprijs zijn voor “velen”, dat zijn allen die in Hem geloven. Het woord “voor” betekent hier ‘in de plaats van’. Zie voor het belang van deze betekenis het boekje Verzoening.In de les die de Heer Zijn discipelen en ons geeft, zien we een van de momenten in de geschiedenis van onze Heer waarin Hij verhevenheid met onderworpenheid en gezag met gehoorzaamheid combineert. Deze combinaties worden in Zijn leven gezien op een wijze die de discipelen en ook ons tot aanbidding aan Zijn voeten brengt.Genezing van twee blinden
De Heer heeft gesproken over Zijn leven als losprijs. Met het oog daarop begint Hij Zijn laatste reis naar Jeruzalem. Jericho is de stad van de vloek. Hij is er geweest en heeft er zegen gebracht. Nu gaat Hij met Zijn discipelen op weg naar Jeruzalem om de basis te leggen voor alle zegen die Hij heeft verspreid en die Hij nog zal brengen. Aangetrokken door die zegen volgt een grote menigte Hem en gaat mee Jericho uit. Zij beseffen niet waarheen Zijn weg voert. Terwijl Hij onderweg is, doen twee blinden een beroep op Zijn ontferming (vgl. Mt 9:27). Ze zitten langs de weg. Als ze horen dat “Jezus” voorbijgaat, roepen ze naar Hem. Ze moeten eerder van Hem hebben gehoord. Hun ogen zijn blind, maar ze hebben verlichte ogen van het hart. Dit is hun kans en ze grijpen die. De menigte wil hun het zwijgen opleggen. Als er een beroep op de Heer wordt gedaan, zijn er altijd mensen die dat willen verhinderen. Maar de blinden bezitten de kracht van het geloof en zijn van die geweldenaars die het koninkrijk voor zich wegrukken (Mt 11:12). In plaats van te zwijgen roepen ze des te meer om de ontferming van de Heer.“En Jezus bleef staan.” Wat een geweldige Heer! Terwijl Hij op weg is naar Jeruzalem en de gedachte aan wat daar met Hem zal gebeuren, Hem bezighoudt, laat Hij Zich ophouden door een roep om ontferming. Dan roept Hij hen. Hij neemt de tijd voor hen. Ook hier komt Zijn vraag wat zij willen dat Hij zal doen (vgl. Mt 20:20-21). Hij weet het wel, maar Hij wil het van henzelf horen. Hij wil graag uit onze mond horen wat wij van Hem verlangen. Zonder omhaal van woorden zeggen ze tegen de Heer wat hun verlangen is: dat hun ogen worden geopend.De Heer geneest hen. Hij doet dat niet als weldoener, maar als Iemand Die deelt in hun nood. Hij wordt met ontferming bewogen. Vanuit een innerlijke betrokkenheid bij hun ellende raakt Hij de plek aan waar het om draait. Het resultaat is onmiddellijk zichtbaar. Deze twee volgen Hem vanaf nu op Zijn weg naar Jeruzalem.
Copyright information for
DutKingComments