Nehemiah 4:10
De kracht schiet tekort
Ondanks de standvastigheid, de vastberadenheid en het vertrouwen van Nehemia op God blijven de aanvallen van de vijand niet zonder resultaat. Het volk wordt onrustig. Met name Juda is onder invloed van de tegenstanders gekomen. Niet dat ze bang geworden zijn voor de tegenstand. De invloed openbaart zich op een andere manier. Ze gaan de hoeveelheid werk die nog moet gebeuren, afmeten aan het restant van hun krachten en trekken de conclusie dat de verhouding daartussen zoek is. Er zullen altijd mensen zijn die een verontschuldiging voor de puinhopen hebben. Zij willen alles laten, zoals het altijd geweest is.Dat ze weinig kracht hebben, is waar. Dat er veel puin is, is ook waar. Maar de conclusie dat het daarom geen zin heeft verder te bouwen, komt voort uit ongeloof. Ongeloof is het resultaat van het bekijken van de problemen zonder God. Afzondering moet worden gehandhaafd, hoe groot de zwakheid ook is en hoe zeer in de christenheid het verderf ook is binnengedrongen. Een vraag als ‘heeft het wel zin, want het verval is te groot?’ is een voedingsbodem voor ontmoediging. Vragen met die inhoud zullen zich te meer opdringen naarmate de tegenstand toeneemt. Het geloof rekent echter met God. Het gaat niet om de kracht van het volk, maar om de kracht van God. Uitgerekend Juda geeft de moed op. De koningsstam, door Jakob in zijn profetie “leeuwenwelp … leeuw … leeuwin” (Gn 49:9) genoemd, de elite van de werkers, ziet het niet meer zitten. Dit is een grote beproeving voor Nehemia. Maar het woord ‘opgeven’ kent hij niet, overtuigd als hij is van zijn Goddelijke zending. Natuurlijk is er veel puin. Nebukadnezar heeft zijn werk grondig gedaan. Hij heeft geen steen op de andere gelaten. Maar voordat er gebouwd kan worden, moet er eerst puin geruimd worden en moeten de oorspronkelijke fundamenten worden blootgelegd. Muren kunnen niet op puinhopen worden gebouwd. Eerst de diepte in, dan pas omhoog. Puinruimen is geen dankbaar werk. Je wordt voortdurend met het falen geconfronteerd. En zolang er niet gebouwd kan worden, lijkt er geen vooruitgang te zijn. In de christenheid is veel aan het licht gekomen dat niet van God is. Valse leringen, sektarisme, zondige leefwijzen moeten worden weggedaan, voordat de gezonde leer ingang kan krijgen.Er is nog een les te trekken uit het moment waarop de mannen van Juda hun verzuchting slaken en dreigen de moed op te geven. Dit moeilijke moment is gekomen als de muur voor de helft is voltooid, als het werk er voor de helft opzit. Zo’n moment is te herkennen in het leven van de christen, als de eerste dagen van zijn bekering voorbij zijn evenals de eerste ervaringen met God in het wonder van de redding. Het aanvankelijk enthousiasme taant, de vaart raakt eruit, je raakt vermoeid, terwijl er nog een heel stuk te gaan is. Je zou kunnen zeggen dat de ‘midlifecrisis’ is aangebroken. Je krijgt het gevoel dat wat al gebeurd is, niet af is, en dat de weg die nog gegaan moet worden, te lang is. Wat al gebeurd is, komt steeds meer op de achtergrond. Je kijkt vooruit, naar alle werk dat nog moet gebeuren, maar je voelt je onvermogen. Wat achter je ligt, heeft voor je gevoel te veel van je krachten gevraagd. Je wilt het daarbij laten, het is genoeg geweest. Je bent niet meer in voor een nieuwe uitdaging, dat is te veel gevraagd. Luister dan naar de bemoediging uit Gods Woord: “Maar laten wij niet moedeloos worden in goeddoen; want te gelegener tijd zullen wij oogsten, als wij niet verslappen” (Gl 6:9).
Copyright information for
DutKingComments