‏ Nehemiah 9:12-21

De wolkkolom en de vuurkolom

In de Ne 9:12-21 is het volk in de woestijn, in de Ne 9:22-29 is het in het land. In elk onderdeel van Israëls geschiedenis zien we de vervlechting van de ontrouw van de mens en de barmhartigheid van God. Na hun bevrijding laat Hij Zijn volk niet aan hun lot over. Hij gaat Zelf voor hen uit en trekt met hen mee door de woestijn. Zijn licht beschijnt het pad dat zij moeten gaan.

Op de Sinaï

Hij regelt heel hun leven. Ze hoeven niets zelf te bedenken om een volk te blijven. Vanuit de hemel, Zijn woonplaats, spreekt Hij met hen. Waar Hij woont, is alles in overeenstemming met Zichzelf. Als Hij van daaruit spreekt tot Zijn volk, kan dat alleen in een voor hen gunstige zin zijn. Hij heeft Zijn volk verlost om bij hen te kunnen wonen. Dan moet die woonplaats beantwoorden aan de hemel.

Daarom geeft Hij hun “rechtmatige bepalingen”. Uitgangspunt voor Zijn verblijf in hun midden is Zijn gerechtigheid. Hij geeft Zijn volk die bepalingen opdat zij de zegen van Zijn tegenwoordigheid zullen kunnen genieten. Ook voorziet Hij hen van “betrouwbare wetten”. Hun leven met elkaar voor Zijn aangezicht wordt bestuurd door onkreukbaar recht. Het zijn geen wetten die worden aangepast aan de situatie. Op die wetten kunnen ze vertrouwen, ze komen van Hem Die volkomen en in alle opzichten betrouwbaar is.

Verder geeft Hij hun “goede verordeningen en geboden”. Hij bepaalt hun leven in maatschappelijk, sociaal en godsdienstig opzicht. Zijn verordeningen en geboden moeten als het merg in het geraamte van de samenleving dienen. Hij heeft met dit alles hun welzijn op het oog. Dit alles als een geschenk van Hem aanvaarden en toepassen, betekent zegen en voorspoed. Afwijking ervan heeft rampspoed en ellende tot gevolg. God heeft ons Zijn goede Woord gegeven. Als we er ons door laten gezeggen en ernaar leven, zullen we Zijn zegen genieten. Elke afwijking van Zijn Woord heeft nare gevolgen.

De sabbat wordt hier niet een gebod, maar een “heilige sabbat” genoemd. Tussen de opsomming in van alles wat de HEERE in de vorm van wetten, geboden en verordeningen heeft gegeven, herinneren de Levieten hier aan deze bijzondere instelling. De HEERE heeft deze dag gegeven als een zegen. Het volk hoeft op die dag niet te werken. Ze mogen delen in de rust van God. Door het houden van die dag laten ze zien dat ze Gods rust waarderen. Het is ook een bewijs dat ze al Gods geboden waarderen.

Brood en water

De HEERE heeft Zijn volk verlost uit de ellende, bevrijd van hun verdrukkers, geleid in de woestijn en hen in staat gesteld als Zijn volk te functioneren. Aan alle niet materiële voorwaarden is voldaan. Die staan voorop. Na al de inspanningen die de HEERE Zich heeft getroost om het volk te voorzien van alles wat het nodig heeft, heeft Hij hun in de woestijn ook voedsel en water gegeven. Ook heeft Hij hun toegezegd dat ze in het land zullen komen dat Hij hun wil geven. Hij heeft daarvoor een eed gezworen, waarvan het opheffen van Zijn hand spreekt.

Hij heeft het volk dus steeds geholpen en het een perspectief voor de toekomst gegeven. Ze hebben, voorzien van al het nodige, overweldigd door de ondervonden ondersteuning en bemoedigd door wat Hij in het vooruitzicht heeft gesteld, als een dankbaar en blij volk kunnen leven.

Maar …

Het gebed van de Levieten krijgt hier een wending. Die wending wordt ingeluid met “maar”. Na het zien van Wie God is en van Zijn handelen in trouw en genade met hen, is het nu noodzakelijk terug te blikken op de houding van het volk sinds hun bevrijding uit Egypte.

Hun houding van opstandigheid en ongeloof na al die goedheid van God komt als een koude douche over ons heen. Een koude douche werkt ontnuchterend. Dat is nodig, want als we enerzijds de trouw van God hebben gezien, moeten we anderzijds ook oog hebben voor onze reactie daarop. Die moet ons beschaamd maken.

Nog groter wordt onze beschaming als we zien dat ook de ondankbare reactie van het volk met een “maar” wordt beantwoord van Gods kant. Hij is ondanks hun opstandigheid en hun ongehoorzaam en misdadig gedrag in genade met hen verder gegaan, zowel in de woestijn als in het land. De Levieten hebben daar oog voor en laten halverwege Ne 9:17 een nieuwe opsomming van Gods weldaden volgen die alleen maar meer verwondering en dankbaarheid kan bewerken.

Telkens vinden we de wisselwerking tussen het ‘maar’ dat het handelen van Gods volk inluidt en het ‘maar’ dat Gods handelen inluidt. Hoe ver is Hij toch boven het handelen van de mens verheven. Hoe totaal anders is Zijn handelen dan dat van de mens. God is een God van vergeving, van pardon. Het woord “vergeeft” staat in het meervoud. Het is een zeldzaam woord en komt alleen nog voor in Psalm 130 en in Daniël 9 (Ps 130:4; Dn 9:9).

Gods trouw – de ontrouw van het volk

Een dieptepunt van hun verwerping van God is het maken van het gouden kalf. Daarmee hebben ze een zichtbare god in hun midden. Aan deze god schrijven ze hun bevrijding toe. Dat is heel grievend voor hun Bevrijder en een grote belediging. Toch heeft Hij hen niet overgegeven aan de gevaren van de woestijn om erdoor verslonden te worden. Hij blijft trouw aan Zijn eed en leidt hen verder met Zijn licht op de weg die zij moeten gaan. Als zegeningen, die wij door onze ontrouw kwijt moeten raken, toch ons deel blijven, zou dat ons tot dubbele dankbaarheid moeten brengen.

Ook in de christenheid is er altijd de hang naar een zichtbaar leiderschap geweest. Als het geloof verdwijnt, neemt het verlangen naar tastbare dingen toe. God is onzichtbaar voor het natuurlijk oog. Maar wie gelooft “dat Hij is” (Hb 11:6), krijgt overvloedige bewijzen van Zijn bestaan en van de zorg die Hij uitoefent. Een zichtbaar leiderschap kan niet anders dan een schepsel zijn waardoor het per definitie een falend leiderschap zal zijn. Wie daarop vertrouwt in plaats van op God, zal geen voorspoed hebben.

In Ne 9:20 vinden we weer een overvloed aan goede gaven die God Zijn volk heeft geschonken om door de woestijn te kunnen trekken. De bidders spreken over “Uw goede Geest”, over “Uw manna” en over “water”. Er is niet alleen sprake van de Geest van God, maar van Gods “goede” Geest. De Geest van God is in goedheid onder hen werkzaam om hen te onderrichten. Hij wil hun gedachten besturen, zodat zij zullen denken zoals God denkt. God heeft Zijn gedachten aan hen meegedeeld in Zijn geboden en inzettingen. Ze hoeven niet te raden naar Zijn bedoelingen. De goede Geest van God onderwijst hen.

De Heilige Geest woont niet in de leden van Gods aardse volk, zoals Hij dat nu wel doet in de leden van Gods hemelse volk, de gemeente (1Ko 6:19). Maar Hij werkt wel in en onder hen. Elke Israëliet die zich bekeert, doet dat doordat de Geest hem overtuigt van zijn zonden. Daardoor krijgt hij een natuur die ernaar verlangt te doen wat God wil.

Het blijft niet bij het onderwijzen van de wil van God. God geeft hun ook de kracht om Zijn wil uit te voeren. Daarvoor geeft Hij hun Zijn manna. Dit voedsel stelt hen in staat de weg te gaan die God wil dat zij gaan. Het manna is het bekende beeld van de Heer Jezus in Zijn leven op aarde. Hij spreekt over Zichzelf in verbinding met het manna als het brood uit de hemel (Jh 6:31-35). Voor onze wandel op aarde door de woestijn van deze wereld krijgen we kracht door ons bezig te houden met de Heer Jezus en Zijn leven op aarde. De weg die wij moeten gaan, is Hij ons voorgegaan. Zijn voorbeeld geeft ons kracht om Hem na te volgen.

In het zojuist aangehaalde gedeelte uit Johannes 6 zegt de Heer Jezus ook dat wie in Hem gelooft nooit meer dorst zal hebben (Jh 6:35). Dat is het derde wat de Levieten in dit vers in hun gebed aanhalen. Ze vertellen de HEERE dat Hij Zijn volk ook water heeft gegeven voor hun dorst. Het geloof in de Heer Jezus, het werkelijke vertrouwen op Hem, is een verkwikking die de dorst naar andere dingen laat verdwijnen.

We hebben hier in Ne 9:20

1. de Heilige Geest Die in goedheid onderwijs geeft;

2. in het manna het voorbeeld van de Heer Jezus, in Wie het onderwijs als het ware zichtbaar wordt;

3. in het water – een beeld van het Woord van God (Ef 5:26) – een middel dat de dorst wegneemt.

De Levieten merken nog meer goedheid op. Veertig jaar lang heeft de HEERE voor Zijn volk gezorgd. De voorzieningen, genoemd in het vorige vers, zijn geen tijdelijke voorzieningen. Ze zijn bij het volk al de tijd dat ze in de woestijn zijn. Ze hebben geen gebrek geleden, niet aan eten en drinken, maar ook niet aan kleding. Altijd hebben ze warmte gehad. De warmte van hun kleding staat symbool voor de warmte van Gods liefdevolle zorg.

Ook aan hun voeten is niets te zien van de vermoeienissen van de reis. Als ze naar hun voeten kijken, kunnen ze opmerken dat de HEERE hun geen weg heeft laten gaan die te veel van hen heeft gevraagd. Ja, Hij heeft hen gedragen, “zoals een man zijn zoon draagt” (Dt 1:31).

Copyright information for DutKingComments