‏ Proverbs 16:20

De waarde van het Woord en woorden

Een conclusie die we uit de beide versregels van Sp 16:20 kunnen trekken, is dat “wie verstandig omgaat met het woord … op de HEERE vertrouwt”. Omgekeerd kunnen we zeggen dat wie op de HEERE vertrouwt, verstandig om zal gaan met het Woord van God. “Wie verstandig omgaat met het woord” is letterlijk ‘de verstandig omgaande met het woord’. Dat maakt nog wat duidelijker dat het niet een incidenteel omgaan met het Woord is, maar dat bedoeld wordt de dagelijkse, voortdurende omgang met het Woord van God. Het gaat om wat God zegt en niet om wat iemand zelf zegt.

Met het Woord van God omgaan houdt in dat we luisteren naar het onderwijs ervan. Wie in die gezindheid luistert en zo met Gods Woord leeft, “zal het goede vinden”. Hij zal er de ware betekenis van het leven in vinden, dat is Christus. Hij is de verpersoonlijking van het goede. Hij is de Goede.

Dat het erom gaat wat God zegt en niet de persoon die hier wordt aangesproken, blijkt uit de tweede versregel. Aandacht geven aan wat God zegt, houdt in dat we Hem vertrouwen. De vertrouwende is hij die voortdurend vertrouwt. Wie dat doet, kan werkelijk “welzalig” worden genoemd. Hij zal alle soorten van zegen ontvangen (Jr 17:7). De HEERE voorziet door Zijn Woord in het goede voor wie aan Zijn Woord aandacht besteedt, voor wie daar ernstig rekening mee houdt.

Dat iemand wijs van hart is, zal blijken uit zijn spreken en zwijgen en zijn hele gedrag (Sp 16:21). Het zal anderen opvallen en men zal hem “verstandig” noemen, een man van verstand, iemand die met kennis van zaken spreekt. Zijn wijze woorden zullen hem een reputatie van bekwaamheid bezorgen en de mogelijkheid bieden om een weldadige invloed op zijn omgeving uit te oefenen.

Zijn manier van spreken maakt het een lust om naar hem te luisteren. Zijn woorden zijn zoet of aangenaam. Het zijn vriendelijke woorden die met een bepaalde sierlijkheid worden uitgesproken. Er zit geen bitterheid of scherpte in. Wat hij zegt, bouwt de luisteraar op, het geeft hem meer inzicht in dat waarover wordt gesproken. Zijn woorden van onderwijs worden goed ontvangen, omdat ze overtuigend zijn. De wijze van hart is “geschikt om te leren” (1Tm 3:2).

De “bron van leven” die de bezitters van verstand in hun verstand bezitten (Sp 16:22), is hun door God gegeven. Die bron is niet alleen een verkwikking voor de bezitters, maar ook voor allen om hen heen. De nieuwtestamentische gelovige bezit ook zo’n bron. Daarvan wordt gezegd dat het stromen van levend water zijn die uit zijn binnenste naar anderen vloeien om hen te verkwikken (Jh 4:14; Jh 7:38-39). Die verkwikking kan alleen naar anderen vloeien door de kracht van de Heilige Geest. Zo is Paulus door de kracht van de Geest een bron van leven geweest in de verkondiging van het evangelie en in het versterken van de gelovigen (Hd 14:21-22).

Ook wij kunnen dat zijn, want ook ons is het verstand gegeven, waardoor wij de Waarachtige kennen (1Jh 5:20). Het is het verstand dat eerst duisternis was (Ef 4:18), maar nu door de Geest van Christus geopend en verlicht is, waardoor we de Schrift kunnen verstaan (Lk 24:45). Met de kennis die wij van Hem hebben, kunnen we anderen dienen en zo voor anderen een bron van leven worden.

Bij de dwaas is geen bron van leven aanwezig. Dwazen hebben niets anders in zich dan een bron van dwaasheid. Als er uit hun mond een vermaning of onderwijzing komt, is dat niets anders dan dwaasheid. Wie daarnaar luistert, wordt aan de dwazen gelijk.

Wie een wijs hart heeft, wordt door zijn hart onderwezen om verstandige dingen te zeggen (Sp 16:23). Hij zal ook weten wanneer hij moet spreken en tegen wie. Hij spreekt niet alleen goed gekozen woorden die de ander begrijpt, maar zijn woorden zijn onderwijzend en vermeerderen het inzicht van hem tot wie hij spreekt. Wat de wijze zegt, is niet alleen nuttig, maar bevordert ook de groei. Er is een toename van inzicht, wat zal blijken uit wat hij zegt.

Het hart van een wijze is een bron van woorden van wijsheid. Dat is alleen waar van het wedergeboren hart. Als het Woord van Christus rijkelijk in ons woont, zullen we in alle wijsheid elkaar leren en terechtwijzen met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen (Ko 3:16).

Met “lieflijke woorden” (Sp 16:24) zullen de woorden uit het hart van de wijze van het vorige vers bedoeld zijn. Zulke woorden hebben de zoetheid van een honingraat (Ps 19:11; Ps 119:103). Lieflijke woorden zijn vertroostend en bemoedigend. Het kunnen woorden zijn uit het Woord van God, of woorden uitgesproken in een gebed of een lofprijzing. Het zijn woorden waarnaar God graag luistert, evenals ieder die uit Hem geboren is.

Zoals de honing in een honingraat door ijverige bijen wordt geproduceerd, zo zijn lieflijke woorden het resultaat van een continue omgang met God in het verborgene. Wie lieflijke woorden kan spreken, heeft ijverig de Schrift bestudeerd en kan daaruit oude en nieuwe dingen naar voren brengen tot welzijn van de luisteraars, tot bemoediging en herstel van geestelijke kracht (Mt 13:52).

We zien het weldadige effect van het gebruik van een beetje honing bij Jonathan (1Sm 14:27). In geestelijke zin hebben zoete woorden datzelfde effect. Zoete woorden zijn geen zoetsappige woorden. Het zijn liefdevolle en tegelijk duidelijke, overtuigende woorden. Zoete woorden zijn genezend als ze voortkomen uit het onderwijs van Gods Woord.

Beenderen zijn de kracht waardoor het lichaam kan bewegen en zich kan voortbewegen. Er komt weer geestelijke en lichamelijke kracht als we opbeurende woorden hebben gehoord. Naar woorden van profetie, dat wil zeggen woorden die worden gesproken tot “opbouwing, vermaning en vertroosting” (1Ko 14:3), kan worden geluisterd als naar welluidende muziek (vgl. 1Kr 25:1-6).

Copyright information for DutKingComments