‏ 2 Peter 1:3-4

3Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;
 Zijn Goddelijke Namelijk van God den Vader.
,
 het leven en Dat is, wat tot het eeuwige leven nodig is en dienstig, om dat te verkrijgen.
,
 de godzaligheid Dat is, om God recht te dienen, en een godzaligen wandel te leiden.
,
 geschonken heeft, Namelijk uit enkele genade, zonder enige waardigheid of verdienste van ons, gelijk vs.2.
,
 Desgenen, Die ons Namelijk des Heeren Jezus Christus, wien onze roeping door de prediking van het Evangelie doorgaans toegeschreven wordt.
,
 tot heerlijkheid en deugd Of door zijn heerlijkheid en deugd. Doch het Griekse woord dia betekent altijd door, maar ook somtijds tot, gelijk Rom 6:4; en schijnt hetgeen de apostel terstond tevoren genoemd heeft het leven, hij hier nu noemt de heerlijkheid; en dat hij genoemd heeft godzaligheid, hij nu noemt deugd.
4Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid.
 Door welke ons Of om welke; namelijk hiervoor genoemde weldaden Gods. Anderen lezen door welken; namelijk Jezus onze Heere.
,
 de grootste en Namelijk overmits daardoor het allergrootste en dierbaarste goed, namelijk de eeuwige zaligheid beloofd wordt, en dat het de allerhoogste God is, die niet liegen kan, die het belooft.
,
 geschonken zijn, Dat is, uit genade gedaan, en het beloofde goed uit genade gegeven; zie voren vs.3.
,
 door dezelve Namelijk voorverhaalde weldaden en beloften.
,
 der goddelijke natuur Dat is, zodanige goddelijke eigenschappen, die den schepselen kunnen medegedeeld worden, en waarin het evenbeeld van God bestaat, als daar Zijn goedheid, heiligheid, wijsheid, heerlijkheid en dergelijke andere; Eph 4:23-24; Col 3:10. Want anderszins kan het wezen van God zelf geen schepselen medegedeeld worden.
,
 nadat gij ontvloden Of zo gij maar ontvloden zijt.
,
 het verderf, Namelijk dat den ongelovigen en ongoddelijken zal overkomen; en hier wordt het verderf gesteld tegen de heerlijkheid, gelijk ook de begeerlijkheid tegen de deugd, vs.3. Anderen verstaan het van de verdorvenheid der menselijke natuur.
Copyright information for DutSVVA