‏ Ezra 9:1-3

1Als nu deze dingen voleind waren, traden de vorsten tot mij toe, zeggende: Het volk Israëls, en de priesters, en de Levieten, zijn niet afgezonderd van de volken dezer landen, naar hun gruwelen, namelijk van de Kanaänieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Jebusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaren en de Amorieten.
 volken dezer landen, Die in de heidense gruwelen der afgoderij bleven steken, aan welken God, Deu 7:2-3 , enz. en elders, zijn volk uitdrukkelijk verboden had te huwelijken.
2Want zij hebben van hun dochteren genomen voor zichzelven en voor hun zonen, zodat zich vermengd hebben het heilig zaad met de volken dezer landen; ja, de hand der vorsten en overheden is de eerste geweest in deze overtreding.
 heilig zaad Dat is, heilig geslacht, dat Israël was vanwege het verbond, dat God met Abraham en zijn zaad gemaakt had. Vergelijk Gen 6:2 ; 1Co 7:14 .
,
 overheden Of, regenten, magistraten, voorstanders.
,
  eerste geweest Hebbende alzo anderen een kwaad exempel gegeven.
3Als ik nu deze zaak hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel; en ik trok van het haar mijns hoofds en mijns baards uit, en zat verbaasd neder.
 scheurde ik Zie Gen 37:29 .
,
 trok Niet uit vertwijfeling of superstitie [verboden Lev 19:27 ] maar uit overgrote droefenis en onststeldheid over dezen gruwel.
,
 verbaasd Of, eenzaam.
Copyright information for DutSVVA