‏ Genesis 1:20-21

20En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels!
 een gewemel Het Hebr. woord is hier genomen voor zodanig gedierte, dat in de zee en andere wateren door zwemmen zich beweegt; hoewel het ook gebruikt wordt van het vliegende gedierte in de lucht. Lev 11:20, en van het kruipende op de aarde; daar ook vs.44.
,
 zielen; Hebr. ziel. Versta daardoor de dieren, die leven en gevoelen, en door zulk een oorzaak zich bewegen.
,
 in het uitspansel Hebr. in [of naar] het aangezicht des enz.
21En God schiep de grote walvissen, en alle levende wremelende ziel, welke de wateren overvloediglijk voortbrachten, naar haar aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.
 schiep Zie de aantekening op vs.1.
,
 wremelende ziel, Het Hebr. woord betekent niet alleen het zwemmende gedierte, gelijk hier en Lev 11:46 en Psa 69:35, maar ook wat kruipt op de aarde, of met verheffing der voeten daarop gaat en treedt, gelijk onder vs.24-26, vs.28, vs.30 en Gen 6:20, Gen 7:8 en Psa 104:20.
,
 gevleugeld Hebr. alle vogels des vleugels. Alzo ook Psa 78:27.
Copyright information for DutSVVA