Leviticus 7:19-21
19En het vlees, dat iets onreins aangeroerd zal hebben, zal niet gegeten worden; met vuur zal het verbrand worden; maar aangaande het andere vlees, dat vlees zal een ieder, die rein is, mogen eten. ▼▼ het vlees, Van het dankoffer, zie vs.18, 20.
,
▼▼ aangaande het andere vlees, Te weten, wat nog overgebleven is en niets onreins aangeroerd heeft.
,
▼▼ een ieder, die rein is, Te weten, van de priesters en van degenen, die de offerande brengen om geofferd te worden.
20Doch als een ziel het vlees van het dankoffer, hetwelk des Heeren is, gegeten zal hebben, en haar onreinigheid aan haar is, zo zal die ziel uit haar volken uitgeroeid worden. ▼▼ onreinigheid aan haar is, Versta, ceremoniëele onreinheid, waarvan de mens zich nog niet zal gereinigd hebben, gelijk hier Lev. 21 en Lev. 22 geboden wordt.
,
▼ 21En wanneer een ziel iets onreins zal aangeroerd hebben, als de onreinigheid des mensen, of het onreine vee, of enig onrein verfoeisel, en zal van het vlees des dankoffers, hetwelk des Heeren is, gegeten hebben, zo zal die ziel uit haar volken uitgeroeid worden. ▼▼ verfoeisel, Dat is, enig ding wat voor onrein verklaard, en daarom verfoeilijk en te schuwen is.
Copyright information for
DutSVVA