Nehemiah 2:1-3
1Toen geschiedde het in de maand Nisan, in het twintigste jaar van den koning Arthahsasta, als er wijn voor zijn aangezicht was, dat ik den wijn opnam, en gaf hem den koning; nu was ik nooit treurig geweest voor zijn aangezicht. ▼ , ▼ , ▼▼ ik den wijn Tot wien de beurt nu weder gekomen was om den koning van den opgedragen wijn te schenken. Hiermede wordt te kennen gegeven de oorzaak, waarom Nehemia dus lang getoefd heeft.
,
▼
,
▼▼ voor zijn aangezicht Als ik voor den koning placht te verschijnen; maar nu [wil hij zeggen] was het anders met mij gesteld.
2Zo zeide de koning tot mij: Waarom is uw aangezicht treurig, zo gij toch niet krank zijt? Dit is niet dan treurigheid des harten. Toen vreesde ik gans zeer. ▼ 3En ik zeide tot de koning: De koning leve in eeuwigheid! Hoe zou mijn aangezicht niet treurig zijn, daar de stad, de plaats der begrafenissen mijner vaderen, woest is, en haar poorten met vuur verteerd zijn? ▼
,
▼▼ eeuwigheid Dat is, lang.
,
▼▼ Hoe zou mijn Hebreeuws, waaRom.
,
▼▼ stad, Namelijk, Jeruzalem, die hij aldus beschrijft om zijn droefenis te excuseren, en den koning te meer te bewegen.
,
▼
Copyright information for
DutSVVA