‏ Psalms 34:7-8

7[034:8]

Cheth

. De Engel des Heeren legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit.
 engel Dat is, de engelen, alzo er van legers gesproken wordt. Zie Gen 32:1-2 ; en 2Ki 6:17 .
8[034:9]

Teth

. Smaakt en ziet, dat de Heere goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt.
 Smaakt Dat is, aanmerkt en gevoelt in uwe harten, en vermaakt u daarin, of neemt de proef daarvan, gij zult bevinden dat het zo is. Verg. Job 12:20 ; Pro 31:18 , en 1Pe 2:2-3 .
Copyright information for DutSVVA