‏ Revelation of John 20:8-9

8En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken der aarde zijn, den Gog en den Magog, om hen te vergaderen tot den krijg; welker getal is als het zand aan de zee.
 uitgaan Namelijk uit den afgrond, waarin hij tevoren gebonden was, om zich te voegen bij den antichrist, wien hij tevoren zijne macht had overgegeven en een tijdlang de gemeente van Christus alleen had verdrukt.
,
 om de volken Dit verstaan velen van de geestelijke verleiding, waardoor gehele volken meer en meer tot nieuwe afgoderij en heidens bijgeloof, hoewel onder enen anderen titel, zijn gebracht. Zie ook Rev 9:20, enz.
,
 die in de vier Dat is, in de gehele wereld of in alle landen der wereld. Want van deze verleiding zijn weinig of geen gehele volken in Oosten of Westen, ten tijde van de wederloslating van den satan, en enigen tijd daarna, geheel vrij geweest.
,
 Gog en den Magog, Sommigen verstaan bij deze twee volken dezelfde volken, die in het voorgaande lid zijn geoemd. Doch het schijnt niet, dat al de volken op de vier hoeken der aarde hier Gog en Magog genoemd kunnen worden, maar dat het alleen een deel van die volken der aarde zijn, die behalve dat zij door den draak in zaken van den godsdienst zijn verleid tot hun verderf, ook door hem verleid en opgemaakt zijn tot een krijg, die in den tekst wordt verhaald. Welke nu deze Gog en Magog zijn, is verscheiden gevoelen. Doch met de zaak zelf en met de plaats Eze 38 en Eze 39, waarop deze profetie ziet, komt best overeen het gevoelen dergenen die zeggen, dat gelijk God bij Ezechiël het volk Israëls dat Hij beloofd had uit Babylonië te verlossen, voorzegt wat zwarigheden hun daarna in het heilige land, door de omliggende heidenen van Azië, Syrië en Egypte, die bij Ezechiël Gog en Magog worden genoemd, zouden overkomen, eer Christus in het vlees zou geopenbaard worden, waaruit God hen wonderbaar zou verlossen, gelijk in het eerste en tweede boek der Maccabeën is te lezen; dat zo ook na het einde van de duizend jaren, en loslating van den
,
 Gog en den Magog, satan, voor de tweede komst van Christus, de Turken, Tartaren en Saracenen, die in de gewesten van Gog en Magog meest hun woonplaatsen hebben, met het overblijfsel van het antichristische rijk en christendom zouden bestrijden, en met zware oorlogen drukken, waaruit God hun wonderbaar zou verlossen, en die eindelijk ook door Christus' tweede komst zouden gedempt en nedergeslagen worden.
,
 welker getal is Zie hiervan breder Rev 9:16, en vervolgens.
9En zij zijn opgekomen op de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen, en de geliefde stad; en er kwam vuur neder van God uit den hemel, en heeft hen verslonden.
 de legerplaats der Zo wordt het christendom genoemd, omdat God zijn heiligen en getekenden daarin altijd heeft gehad, en tot het einde der wereld zal hebben, al is er grote verdorvenheid in den godsdienst en zeden van velen geweest; gelijk het volk Israëls Gods volk doorgaans wordt genoemd, en de stad Jeruzalem de heilige stad, ook als zij in dezen zeer waren verdorven. Zie Isa 1:3, Isa 1:21; Mat 4:5; Luk 19:46
,
  en er kwam vuur neder Dit kan enigszins verstaan worden van veel buitengewone hulp, die God den christenen tegen de Turken en Tartaren heeft verleend, en gelijk te hopen is, nog verlenen zal, gelijk dergelijke wijze van spreken van Gog en Magog gebruikt wordt; Eze 38:22. Doch het kan ook verstaan worden van het laatste geweld dezer en dergelijke natiën, dat zij nevens den antichrist nog doen zullen, om de christenheid geheel uit te roeien, voor den laatsten dag, als Christus in Zijn laatste komst hen onverwacht op den hals zal komen, gelijk van het antichristische heirleger hiervoor Rev 19:20 geprofeteerd is. En dit wordt ook uit de volgende verzen bevestigd.
Copyright information for DutSVVA