1 Samuel 18:25-27
25Toen zeide Saul: Aldus zult gijlieden tot David zeggen: De koning heeft geen lust aan den bruidschat, maar aan honderd voorhuiden der Filistijnen, opdat men zich wreke aan des konings vijanden. Want Saul dacht David te vellen door de hand der Filistijnen. ▼▼ Want Saul dacht David te vellen Dat is, Saul vermoedde dat David eer in den krijg zou omkomen, eer hij honderd Filistijnen zou ombrengen.
26Zijn knechten nu boodschapten David deze woorden. En die zaak was recht in de ogen van David, dat hij des konings schoonzoon zou worden; maar de dagen waren nog niet vervuld. ▼▼ de dagen waren nog niet vervuld Te weten, die dagen, die bestemd waren om de bruiloft te houden, of om de levering der voorhuiden te doen.
27Toen maakte zich David op, en hij en zijn mannen gingen heen, en zij sloegen onder de Filistijnen tweehonderd mannen, en David bracht hun voorhuiden, en men leverde ze den koning volkomenlijk, opdat hij schoonzoon des konings worden zou. Toen gaf Saul hem zijn dochter Michal ter vrouw. ▼▼ volkomenlijk, Dat is, in vol getal.
Copyright information for
DutSVVA