2 Samuel 17:27-29
27En het geschiedde, als David te Mahanaim gekomen was, dat Sobi, de zoon van Nahas, van Rabba der kinderen Ammons, en Machir, de zoon van Ammiël, van Lodebar, en Barzillai, de Gileadiet, van Rogelim, ▼▼ Sobi, Hebreeuws, Schobi. Eenigen menen dat deze een broeder was van Hanun, waarvan boven, 2Sa 10:1 enz., gesproken is, en dat David Hanun, toen hij Rabba innam [boven 2Sa 12:30-31 ] afgezet of ook gedood hebbende, dezen broeder in zijn plaats tot koning heeft gesteld, die overzulks hier zijn dankbaarheid zou hebben bewezen.
,
▼
,
▼ 28Beddewerk, en schalen, en aarden vaten, en tarwe, en gerst, en meel, en geroost koren, en bonen, en linzen, ook geroost, ▼▼ aarden vaten, Hebreeuws, vaten der formeerders; dat is, des pottenbakkers.
,
▼▼ geroost, Te weten, de bonen en linzen.
29En honig, en boter, en schapen, en koeienkazen, brachten tot David, en tot het volk, dat met hem was, om te eten, want zij zeiden: Dit volk is hongerig, en moede, en dorstig in de woestijn. ▼▼ zeiden Te weten, bij zichzelven; dat is, dachten, horende van Davids vluchten uit Jeruzalem, en haastig passeren door de woestijn, dat zij ontwijfelbaar aldaar aan alles gebrek zouden hebben geleden; daarom hadden zij deze provisie bereid om hen te verversen.
,
▼▼ in de woestijn Of, van de woestijn.
Copyright information for
DutSVVA