‏ Deuteronomy 2:4-5

4En gebied het volk, zeggende: Gij zult doortrekken aan de landpale uwer broederen, de kinderen van Ezau, die in Seir wonen; zij zullen wel voor u vrezen; maar gij zult u zeer wachten.
 kinderen van Ezau, De Amalekieten waren ook wel Edomieten, of van Ezau afkomstig, Gen 36:12, maar van God door een bijzondere ordinantie uitgesloten. Zie Exo 17:14, en onder Deu 25:17.
,
 vrezen; Gedenkende aan het leed, dat hunlieder voorvader Ezau zijnen broeder Jakob of Israël, uw voorvader, eertijds heeft aangedaan. Of, zij zullen vrezen voor uw macht en de hulp van God, die bij u is. Zie Num 22:3.
5Mengt u niet met hen; want Ik zal u van hun land niet geven, ook niet tot de betreding van een voetzool; want Ik heb Ezau het gebergte Seir ter erfenis gegeven.
 Mengt u niet met hen; Te weten, ten strijde, dat gij u met hen in oorlog zoudt begeven; gelijk onder, vs.9, 24. Wat nu naderhand contrarie geschied is, daartoe hebben de Edomieten, Ammonieten en Moabieten door hun vijandschap oorzaak gegeven. Zie 1Sa 14:47; 2Sa 8:14; 1Ki 11:15-16; 2Ki 8:21; 2Ch 20:2, 2Ch 20:10-11; Psa 83:7-9, enz. Vergelijk 2Sa 8:2.
,
 tot de betreding van een voetzool; Dat is, zoveel de plant van een voet betreden mag.
,
 gegeven Zie Gen 36:8.
Copyright information for DutSVVA