‏ Ezekiel 13:7-9

7Ziet gij niet een ijdel gezicht, en spreekt een leugenachtige voorzegging, als gij zegt: De Heere spreekt, daar Ik niet gesproken heb?
 Ziet gij niet Deze vraag verzekert sterkelijk.
,
 ijdel gezicht, Hebreeuws, een gezicht der ijdelheid, alzo boven Eze 12:24 . Zie de aantekening.
,
 een leugenachtige voorzegging, Hebreeuws, ene voorzegging der leugen.
,
 zegt Te weten tot het volk.
,
 Ik niet gesproken heb? Namelijk Ik de Heere.
8Daarom zo zegt de Heere Heere: omdat gijlieden ijdelheid spreekt, en leugen ziet; daarom, ziet, Ik wil aan u, spreekt de Heere Heere.
 Ik wil aan u, Te weten om u te straffen. Vergelijk Jer 21:13 , met de aantekening.
9En Mijn hand zal zijn tegen de profeten, die ijdelheid zien, en leugen voorzeggen; zij zullen in de vergadering Mijns volks niet zijn, en in het schrift van het huis Israëls niet geschreven worden, en in het land Israëls niet komen; en gij zult weten, dat Ik de Heere Heere ben.
 Mijn hand zal zijn tegen de profeten, Dat is, mijne kracht om te straffen en te verderven; alzo Exo 9:3 ; Jdg 2:15 ; 1Sa 12:15 .
,
 in de vergadering Mijns volks Alzo wordt het woord sod genomen, Psa 89:8 , en Psa 111:1 . De zin is dat de valse profeten niet onder Gods uitverkoren volk zouden gerekend, noch zijn geestelijke goederen mede deelachtig worden.
,
 schrift Dat is, in het register der ware kinderen Gods; vergelijk Exo 32:32 , en de aantekening; idem, Psa 69:29 , en de aantekening; Luk 10:20 ; Rev 13:8 , en Rev 17:8 , en Rev 20:15 , en Rev 21:27 .
,
  van het huis Israëls Dat is, van de ware kerk niet bevonden worden.
,
  in het land Israëls niet komen; Dat is, in het land van Juda niet wederkeren uit de Babylonische gevangenschap; gelijk ook die onboetvaardig blijven niet komen zullen in het hemelse Kanaän.
Copyright information for DutSVVA