‏ Ezekiel 47:12

12Aan de beek nu, aan haar oever, zal van deze en van gene zijde opgaan allerlei spijsgeboomte, welks blad niet zal afvallen, noch de vrucht daarvan vergaan; in zijn maanden zal het nieuwe vruchten voortbrengen; want zijn wateren vlieten uit het heiligdom; en zijn vrucht zal zijn tot spijze, en zijn blad tot heling.
 oever, Hebreeuws, lip.
,
 allerlei spijsgeboomte, Hebreeuws, alle geboomte der spijs; dat is, allerlei vruchtdragend geboomte, dat ter spijs bekwaam, of eetbaar is; zie boven vs.7.
,
 blad niet zal afvallen, Zie Psa 1:3 .
,
 vergaan; Of, ophouden, verteerd worden.
,
 in zijn maanden Dat is, alle maanden zal dat geboomte nieuwe vrucht dragen; vergelijk Rev 22:2 .
,
 nieuwe vruchten voortbrengen; Of, uitnemende, gelijk de eerste rijpe vruchten, die zeer aangenaam zijn; zie Mic 7:1 .
,
 wateren vlieten Waar het aan wast, en waar het van bevochtigd wordt.
,
 heiligdom; Zie boven vs.1. Daarom zal zijn vrucht vast en zeker gaan.
,
 heling Of, stamping, stoting, gelijk men bladeren en kruiden pleegt te stoten, om in dranken of pleisters te gebruiken.
Copyright information for DutSVVA