‏ Genesis 24:3-4

3Opdat ik u doe zweren bij den Heere, den God des hemels, en den God der aarde, dat gij voor mijn zoon geen vrouw nemen zult van de dochteren der Kanaänieten, in het midden van welke ik woon;
 der Kanaänieten, Hebr. des Kanaänieters. Zie van dezen boven Gen 10:15-16, enz.; van dezen wilde Abraham voor zijn zoon een vrouw hebben, omdat zij gans afgodisch, grote zondaren en buiten het verbond Gods waren. Verg. onder Gen 28:1-2; Exo 34:16; Deu 7:3; Jos 23:12; Ezr 9:1-3; Neh 13:23, Neh 13:25, enz.; 2Co 6:14-15. Van dit recht der ouders in de huwelijken der kinderen in het algemeen, zie boven Gen 6:2 en Gen 21:21.
4Maar dat gij naar mijn land, en naar mijn maagschap trekken, en voor mijn zoon Izak een vrouw nemen zult.
 mijn land Abrahams vaderland was Ur der Chaldeën, zijnde een gedeelte des gehelen lands, gelegen tussen de rivieren Eufraat en Tigris, waarin Mesopotamië, alwaar Nahor woonde, mede begrepen was.
,
 mijn maagschap Van wie hij tijding ontvangen had, boven Gen 22:20. Deze waren wel door de bijwoning der afgodische ingezetenen ook met afgoderij besmet, gelijk blijkt ond. Gen 31:19, Gen 31:30, Gen 31:32, Gen 31:35, en Jos 24:2, maar niet zo gruwelijk vervallen in afgoderij en andere grove zonden, gelijk de verworpen Kanaänieten. Zie Deu 12:30-31.
Copyright information for DutSVVA