‏ Judges 8:10-11

10Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het ganse leger der kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken.
 gevallenen Die tevoren omgekomen waren.
,
 uittrokken Hebreeuws, uittrok; dat is, ieder van hen was tot den krijg bekwaam geweest. Dit dient tot merkelijke vergroting van Gideons victorie. Zie ook deze manier van spreken van het uittrekken des zwaards, onder, Jdg 20:15, Jdg 20:17, Jdg 20:25, Jdg 20:46; 2Sa 24:9; 2Ki 3:26, enz.
11En Gideon toog opwaarts, den weg dergenen, die in tenten wonen, tegen het oosten van Nobah en Jogbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos.
 tenten wonen, Te weten, der Arabieren, die daarvan Scenitae genoemd zijn, alsof men zeide Tentenaars
,
 Nobah en Jógbeha; Deze twee plaatsen waren ook aldaar over de Jordaan gelegen, tegen het oosten.
,
 zorgeloos Of, zeker, gerust, niet denkende dat Gideon met zijn volk, van najagen vermoeid zijnde, zo haast over de Jordaan en voorts dezen weg naar het oosten hen zou kunnen achterhalen.
Copyright information for DutSVVA