‏ Job 31:26

26Zo ik het licht aangezien heb, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande;
 licht Dat is, de zon; want hier worden de grote lichten [alzo genaamd Gen 1:16 ; Psa 136:7 ] gemeld, de zon en de maan, over welker schoonheid en werkingen de heidenen zich zozeer verwonderd hebben, dat zij die goddelijke eer bewezen, Jer 43:13 , ja ook de Israëlieten zelf, 2Ki 21:3 en 2Ki 23:4-5 , 2Ki 23:11 ; Eze 8:16 .
,
 aangezien heb, Te weten, om dat goddelijke eer te bewijzen, gelijk de afgodendienaars doen.
,
 wanneer het scheen, De afgodendienaars hebben de zon meest geëerd als zij opging en in haar glans was, en de maan als zij vol was; hetwelk hier genoemd wordt haar heerlijke voortgang.
Copyright information for DutSVVA