‏ Psalms 104:5-8

5Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.
 heeft de aarde De profeet wil hier zeggen dat het aardrijk zo vast van den Heere gegrond is, alsof het op een vasten en sterken bodem, fondament of steunsel stond. Zie de aantekening bij Psa 24:2 , en Job 26:7 .
6Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.
 met den afgrond Dat is, met de diepe en grondeloze wateren, die God op den eersten dag geschapen heeft; Gen 1:2 .
,
 overdekt; Te weten, van het begin der schepping tot aan den derden dag, in welken eerst het aardrijk droog geworden is; Gen 1:9 ,10. De wateren hebben ook het aardrijk ten tijde van den zondvloed overdekt; Gen 7:19 .
7Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.
 Van uw schelden Het schijnt dat hier door het schelden Gods moeten verstaan worden de sterken winden en stormen. Zie Psa 18:16 . Anders: van uw schelden; dat is, van uw enrstig bevel. Zie Job 26:12 .
,
 voor de stem Dat is, van uw grote en krachtige stem, die als een donder is.
8De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.
 bergen rezen op, Of, zij [te weten, de wateren] rezen op de bergen en daalden door de valleien, naar de plaats, die Gij hun [te weten, de wateren] gegrond hadt.
,
 ter plaatse Dat is, in de laagten der aarde; Gen 1:9-10 ; Job 38:10-11 .
Copyright information for DutSVVA