‏ Psalms 65:10

10[065:11] Gij maakt zijn opgeploegde aarde dronken; Gij doet ze dalen in zijn voren; Gij maakt het week door de druppelen; Gij zegent zijn uitspruitsel.
 opgeploegde Van het Hebr. woord, betekenende, naar veler gevoelen, de scherpe ruggen tussen twee voren opgeworpen en uitstekende; zie Job 31:38 .
,
 dronken; Dat is, Gij bewatert en begiet haar overvloedig met den regen.
,
 week Hebr. Gij smelt, of ontdoet het; te weten het land.
,
 druppelen Dat is, druipende regen, of slagregen, dichte regen. Het Hebr. woord komt van menigte, of grootheid der droppelen.
Copyright information for DutSVVA