‏ Romans 9:20-21

20Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzo gemaakt?
 o mens, In dit woord mens is de eerste reden van antwoord, dewijl een broos mens niet behoort tegen God te twisten, als te gering en onbekwaam zijnde om over Gods doen te oordelen.
,
 tegen God antwoordt? Of, God tegenspreekt?
,
 het maaksel tot dengene, Dit is het tweede deel van Paulus' antwoord, waarmede hij toont dat het den mens onbetamelijk is aan God redenen van zijn doen af te eisen, dewijl God zijn Schepper is, en hij Zijn maaksel of schepsel. Zie Isa 45:9 .
21Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken, het ene vat ter ere, en het andere ter onere?
 Of heeft de pottenbakker Dit is de derde reden van Paulus' antwoord, genomen van het recht en de macht van God over alle mensen, die niet minder is dan de macht van den pottenbakker over zijn leem.
,
 uit denzelfden klomp Waardoor afgebeeld wordt de oorsprong van het gehele verdorven menselijke geslacht uit eenen bloede; Act 17:26 .
,
 ter ere, Dat is, tot eerlijk gebruik; 2Ti 2:20 .
,
 ter onere? Dat is, tot slechter of verachtelijker gebruik.
Copyright information for DutSVVA