‏ Psalms 122

Den .C.xxij. Psalm.

Ad te leuaui.

1TOt v heb ick mijn ooghen opghehauen, die in die hemelen woont.

2Siet ghelijck die ooghen der knechten, sijn op die handen van haren Heeren.

Ghelijck die ooghen der dienstvrouwen op die handen van haerder vrouwen, alsoo sijn ons ooghen tot den Heere onsen Godt, tot dat hy onser ontfermt.

3Ontfermt v onser Heere, ontfermt v onser, want wy sijn seer veruult met versmaetheden.

4Want onse ziele is seer veruult met verwijt der oueruloedigher rijcken, ende met die versmaetheyt der hoouerdigher.
Copyright information for NldLeuv1548